De Fiat directie had bij de ontwikkeling van de Uno de technici een aantal uitdagingen in het vooruitzicht gesteld. Niet alleen moesten de productiekosten omlaag, maar het productieproces moest tegelijkertijd vereenvoudigd worden. Tevens wilde men het gewicht van de auto reduceren, zonder dat de kwaliteit van de constructie daar onder zou komen te lijden. Sterker nog, de inzet was een auto van een zo hoog mogelijke kwaliteit te leveren. Er werd daarom een maximum aantal foutjes, dan wel defecten opgelegd, die de auto tot een kilometerstand van 100.000 km niet mocht overschrijden. Daartoe werd een kleine testfabriek ingericht, compleet met alle benodigde onderdelen, lasinstallaties en robots, die een testvloot van 300 exemplaren zou produceren. Deze exemplaren werden vervolgens uitgebreid getest en gecontroleerd. Tot grote tevredenheid van de medewerkers hoefden er slechts kleine foutjes uit de voorserie exemplaren te worden gehaald.
De het zorgvuldige ontwikkelingsproces wierp direct na de introductie van de Uno zijn vruchten af. In Italië was de auto een daverend succes. Zozeer zelfs, dat de productiecapaciteit al snel te kort schoot. Autovisie noemde de rijervaring dan ook een “plezierige sensatie”. Tevens werd er gerept over “uitmuntende stoelen”. Een typische Fiat-kwaal van weleer, de hakerig schakelende versnellingsbak was slechts een kleine dissonant, want we konden destijds maar een ding concluderen: “wát een lekker autootje!”
© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer