Studeerde geschiedenis aan de universiteit van Nijmegen. In 2007 promoveerde
hij op een studie naar de opkomst van de auto en de invloed daarop van
gebruikers, ondernemers en overheid. Al meer dan twintig jaar doet hij
onderzoek naar de verbreiding van de auto, hetgeen resulteerde in
verschillende boeken.
Recentelijk werd de minister van Onderwijs bekritiseerd omdat zij onvoldoende capabel zou zijn om ontwikkelingen in het onderwijs te sturen. Door gebrek aan kennis van zaken en visie op het onderwerp, zouden ambtenaren de regie overnemen. Toegegeven, zij heeft een opleiding tot verpleegkundige volbracht en heeft later via de lokale politiek carrière tot zelfs in Den Haag gemaakt. Hierdoor is de relatie met het beleidsterrein waaraan zij nu de leiding geeft en de gevolgde opleiding en het inhoudelijk werkterrein van tot dan toe niet groot. Maar zij is niet de enige. Een studie sociologie of politicologie en/of ervaring in de politiek vormt veelal een belangrijke achtergrond van huidige politici. Bestuurders zoals minister Bleker, Hillen, Kamp, Rosenthal, Schultz-Verhaegen en Verhagen hebben geen van allen een opleiding gevolgd in de richting van het departement dat zij nu besturen en/of hierin voorheen (ruime) werkervaring opgedaan.
Er was een tijd waarin het min of meer gebruikelijk was dat ministers van bijvoorbeeld Waterstaat een nauwe relatie hadden tot het departement waaraan zij leiding gaven. Een mooi voorbeeld daarvan is minister ir. C. Lely. Na zijn opleiding tot ingenieur in Delft werkte hij bij de Staatsspoorwegen en Rijkswaterstaat. Vervolgens werd hij minister van Waterstaat. In de tijd waarin er nog amper auto’s in ons land waren, voorzag hij een grote toekomst voor dit vervoermiddel. Hij trachtte de verbreiding van de auto te stimuleren en ontwikkelde in 1917 onder meer de eerste plannen voor grootschalige verbetering van de wegen. Met zijn visie op het wegverkeer was hij zijn tijd ver vooruit. Een ander voorbeeld is minister jhr. ir. O.C.A. van Lidth de Jeude die eveneens in Delft zijn opleiding genoot en later bij Rijkswaterstaat carrière maakte. Hij was degene die in 1937 besloot tot de aanleg van autosnelwegen, omdat hij voorzag dat dat in de toekomst noodzakelijk was. Tussen 1900 en 1940 hadden bijna alle ministers van Waterstaat een opleiding in Delft gevolgd. De politieke functie kwam ná een maatschappelijke carrière in een van de latere beleidsterreinen.
Ook na de oorlog kwam dit op sommige departementen nog geregeld voor. Als recent voorbeeld kan minister Bot van buitenlandse zaken worden genoemd, een jurist die daarvoor jarenlang bij buitenlandse zaken en de diplomatieke dienst heeft gewerkt. Bij het ministerie van Waterstaat, een departement waaraan veelal minder gewicht werd toegekend, was de relatie met de gevolgde opleiding en/of werkervaring van de minister al lang niet meer relevant. Minister Vos (minister van Waterstaat in 1946-1947) had als laatste in Delft gestudeerd. Hierna volgden met name juristen, economen en bestuurskundigen (of anderszins). Zij maakten carrière in de politiek en niet in het beleidsterrein, werden minister en kwamen daarna op andere functies terecht. Minister Smit-Kroes , Maij-Weggen, Netelenbos , Peijs en Eurlings zijn daar recente voorbeelden van. Eén van de weinige ministers die wel uit het vakgebied kwam was minister De Boer (minister van Waterstaat in 2002-2003). Hij was afkomstig uit het transport en logistiek en is nu voorzitter van de RAI-vereniging.
Zou men kunnen concluderen dat vrachtwagenchauffeurs, deelnemend aan het verkeer, vakinhoudelijk beter zijn opgeleid dan de ministers, die verantwoordelijk zijn voor het beleid ten aanzien van het verkeer?
Vragen over auto's? Stel ze via Twitter aan @Sjoerdvanbilsen
Autovisie lees je ook op de iPad. Nieuws, video's en achtergronden. Kijk hier voor een preview!
© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer