Financieel/Geld

Column: Haken en ogen bij pensioenregeling na dienstverband

Door Henny van den Hurk

Door de Rechtbank Midden Nederland is onlangs de vraag beantwoord in hoeverre een voormalig werknemer alsnog pensioenschade op de werkgever kan verhalen bij een vrijwillige deelname aan het pensioenfonds na het einde van het dienstverband.

Pensioenregeling

De werknemer nam tijdens het dienstverband verplicht deel aan de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Deze pensioenregeling kent een mogelijkheid om na het einde van het dienstverband de deelname nog gedurende een bepaalde periode voort te zetten. Als de werkgever een dergelijke mogelijkheid ook kent, dan kan de werknemer daar eventueel gebruik van maken.

In de onderhavige kwestie was een voorwaarde om vrijwillig de deelname na einde van het dienstverband voort te kunnen zetten, dat de deelnemer c.q. werknemer een wachtgelduitkering moest ontvangen. Dat was bepaald in de desbetreffende CAO.

Geweigerd

Bij het einde van het dienstverband werd aan de werknemer in deze echter de wachtgelduitkering geweigerd door de werkgever. De werknemer liet het daar niet bij zitten en spande een procedure aan. Die procedure duurde al met al bijna 2 jaar alvorens er een eindvonnis werd gewezen. De Kantonrechter wees alsnog de vordering van de werknemer toe en de werkgever moest dus nog alsnog wachtgeld betalen.

Vervolgens meldde de werknemer zich bij het pensioenfonds en wenste gebruik te maken van een voortgezette vrijwillige deelname na het einde van het dienstverband. Het pensioenfonds wees echter het verzoek tot vrijwillige voortzetting af. Het pensioenfonds verwees daarbij naar de termijn die het pensioenreglement daar voor hanteert. Immers had binnen 6 maanden na het einde van het dienstverband het verzoek tot vrijwillige voortzetting gedaan moeten worden. En dat was niet gebeurd.

Geen coulance

Het pensioenfonds was ook niet genegen om uit coulance alsnog de vrijwillige voortzetting te accepteren. Mogelijk dat ook financiële overwegingen, gezien de gewijzigde rentestanden, daarin een rol hebben gespeeld. Het pensioenfonds zou dan namelijk met dezelfde premies de aanspraken moeten garanderen, terwijl de kosten veel hoger zijn komen te liggen.

De werknemer liet het er echter wederom niet bij zitten en spande een procedure aan tegen opnieuw de werkgever. De werknemer was van mening dat de werkgever aansprakelijk kon worden gehouden voor het tekort in de pensioenopbouw gedurende de periode dat vrijwillig had kunnen worden voortgezet. Had de werkgever namelijk het wachtgeld wel direct betaald, zo betoogde de werknemer, dan was de vrijwillige deelname wél mogelijk geweest.

Causuaal verband

De Rechtbank is van oordeel dat een causaal verband tussen de handelswijze van de werkgever bij de weigering van het wachtgeld en de geleden schade door de werknemer wegens het niet vrijwillig kunnen voortzetten van de pensioenregeling ontbreekt.

Zo heeft de werknemer toen de werkgever de verschuldigdheid van het wachtgeld betwistte, geen enkele aanspraak gemaakt op enige betalingsverplichting van pensioenpremie noch een voorbehoud gemaakt terzake de gestelde financiële onmogelijkheid om de pensioenopbouw vrijwillig voort te zetten.

Schade

De gestelde schade is, zo reconstrueert de rechtbank uit de betogen van de werknemer, ontstaan, omdat de werknemer verstoken is geweest van het gebruik van de wachtgelduitkering (mede) ten behoeve van de voortzetting van de pensioenopbouw. Voor zover al zou komen vast te staan dat sprake zou zijn van enig causaal verband, namelijk als werkgever bij einde dienstverband per 1 oktober 2011 meteen het besluit had genomen tot toekenning van wachtgeld aan de werknemer, de werknemer dan wel gebruik had gemaakt van de vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, en dat werkgever dan pensioenpremie voor werknemer had betaald aan het pensioenfonds en dat de werknemer dan de gestelde schade niet zou hebben geleden, dan kan die gestelde schade de werkgever als gevolg van de weigering tot betaling van wachtgeld niet worden toegerekend. Dat is een te ver verwijderd verband, aldus de Rechtbank. De werknemer had dit mogelijk kunnen ondervangen door wel binnen de gestelde termijn aanspraak te maken op de vrijwillige voortzetting bij het pensioenfonds. De discussie over de premiebetaling had dan aangehouden kunnen worden tot het moment dat duidelijkheid zou zijn over het wachtgeld. Maar dan had ook het pensioenfonds al op een eerder moment rekening kunnen houden met de risico’s.

Opletten

Het is van groot belang om steeds goed te letten op termijnen als men aanspraak wil maken op bijvoorbeeld een vrijwillige voortzetting. Dit is geen vanzelfsprekendheid en niet ieder pensioenreglement voorziet er (op dezelfde wijze) in.

Mw. mr. Henny van den Hurk (1966) is mede-oprichtster en partner van Gommer & Partners Pensioen Advocaten in Tilburg. Gommer & Partners houdt zich bezig met alle facetten van het pensioenrecht voor alle professionele partijen in de markt.

Lees meer over