Nieuws/Financieel

Column: Wanneer ben je rijk en wanneer arm?

Door Jaap van Duijn

ANP

Er zijn allerlei kloven in onze samenleving. Er is een kloof tussen arm en rijk, tussen jong en oud, tussen hoog opgeleid en laag opgeleid, tussen de elite en het volk, tussen stad en platteland, tussen autochtoon en allochtoon. Het Sociaal en Cultureel Planbureau schrijft er dikke rapporten over.

ANP

In de jaren zeventig had Joop den Uyl het al over de tweedeling in de samenleving. En nog eerder, in 1968, sprak Hans van Mierlo, de voorman van de net opgerichte opblaaspartij D66 over ‘een steeds grotere muur, die groeit tussen de machthebbers en de gewone mensen’. De gewone man is altijd al de klos geweest.

Inkomen

Het valt niet mee over muren te klimmen en kloven te overbruggen. Je staat aan de ene kant of aan de andere kant. Maar verdraagt deze beeldvorming zich ook met de feiten? Neem de kloof tussen arm en rijk. Die kan op twee manieren worden gemeten: via de inkomensverdeling en via de vermogensverdeling. De 10% gezinnen met de laagste inkomens hadden in 2014 een gemiddeld inkomen van ruim €10.000, halverwege de inkomensverdeling was het inkomen €50.000, de negende groep verdiende €100.000 en de bovenste 10% had een inkomen van gemiddeld €175.000. Tussen de laagste en hoogste 10% zit een enorm verschil, maar het is moeilijk om hier van een echte tweedeling te spreken. Wanneer hoor je bij rijk en wanneer bij arm? Er is sprake van een heel geleidelijke overgang. Alleen aan de top kunnen de verschillen extreem worden, omdat er in beginsel geen bovengrens is aan wat iemand in een jaar, op welke manier dan ook, kan verdienen.

Ook wanneer we naar de leeftijd van kostwinners kijken, zijn de overgangen heel geleidelijk. De hoogste inkomens vinden we in de gezinnen, waarvan de hoofdkostwinner tussen 45 en 60 is: gemiddeld bijna €80.000. Daaronder is het wat minder, maar niet veel, en na de 60 wordt het ook wat minder. Het is allemaal niet erg spectaculair.

Vermogen

De verschillen worden een stuk groter als we naar de vermogensverdeling kijken. Daarbij speelt in Nederland de eigen woning een belangrijke rol. De rijksten hebben vrijwel allemaal een eigen huis, maar veel van de armsten ook. Die hadden, althans in 2014, een huis dat minder waard was dan de hypothecaire lening die er op rustte. Het gevolg was dat in dat jaar de 20% armste gezinnen gezamenlijk een negatief vermogen van €60 miljard hadden! Daartegenover stonden de 10% meest vermogende gezinnen, die samen netto bezittingen ter waarde van €820 miljard hadden, gelijk aan bijna 70% van het totale bezit van Nederlandse huishoudens.

De vermogensverdeling is dus veel ongelijker dan de inkomensverdeling, met grotere extremen aan de bovenkant. Maar ook daar is de vraag: is hier nu sprake van een kloof? En zo ja: waar zit dan dat gat tussen vermogend en niet vermogend? Dat gat is er niet. Net zoals bij zo ongeveer alles in Nederland, is ook hier sprake van geleidelijkheid.

Lees meer over

Econoom