De overheid stimuleert het opzetten van studentbedrijven, want deze ondernemingen blijken vaak zeer innovatief. Bovendien is het leerzaam voor studenten en nuttig voor de toekomst.
Dit blijkt uit onderzoek van Panteia, de Hogeschool van Amsterdam, de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool de Kunsten in Utrecht.
Cijfers
Van de ondervraagde bedrijven zegt 96% te werken aan een nieuwe product-markt-combinatie (pmc), een innovatie en/of een uniek en onderscheidend product.
Van deze studentbedrijven heeft 57% omzet gerealiseerd. Ongeveer 14% van de studentbedrijven van de studie ‘minor ondernemerschap’ aan de Hogeschool van Amsterdam is na een aantal jaar nog steeds actief . Aan de andere kant heeft 30% de handdoek in de ring gegooid.
Ruim 30% heeft een nieuw(e) dienst(concept) ontwikkeld, 23% een creatief kunstzinnig product en 20% een nieuw product. Iets minder dan een kwart is/was bezig een bestaand product of dienst geschikt te maken voor de huidige markt.
Toekomst
De overheid stimuleert dit soort jong ondernemerschap. Niet alleen omdat het waardevol is voor de maatschappij, maar ook omdat studenten leren wat ondernemerschap is, en dat is belangrijk voor de toekomst. Ruim de helft van de deelnemende studenten is van plan na de studie door te gaan met de onderneming, in welke vorm dan ook.
Lastigheden
Negatieve aspecten van het studentondernemerschap zijn onder meer de moeite om een balans vinden tussen het afronden van de studie en het succesvol ‘runnen’ van een bedrijf. Ook is het niet altijd even simpel om een goed idee met marktpotentie te bedenken en ontwikkelen. Bovendien is het samenstellen van een gemotiveerd team met een goede samenwerking en taakverdeling een hele kluif.
© 1996-2013 TMG Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Gebruiksvoorwaarden | Privacy | Cookies | Cookie-voorkeuren | Disclaimer