Nieuws

Transitievergoeding, arbeidsongeschikt en pensioen

Door Henny van den Hurk

De premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen moet worden aangemerkt als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening, zo besliste onlangs de kantonrechter. De wet dwingt er niet toe dat wordt bekeken hoe een dergelijke voorziening achteraf individueel uitwerkt.

Wat was er aan de hand in deze zaak? De werknemer was voor 18 uur per week bij zijn werkgever in dienst. Vervolgens werd hij arbeidsongeschikt. Hij had recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen.

Gelijkwaardig

Deze aanspraken, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 673b Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat wanneer deze regeling voor de werknemer geldt, deze werknemer niet ook nog de transitievergoeding ontvangt.

De werknemer wordt arbeidsongeschikt en de werkgever dient vervolgens een verzoek in bij het UWV om toestemming te verkrijgen de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen, op grond van volledige arbeidsongeschiktheid die langer dan 104 weken heeft geduurd. Het UWV verleent de vergunning aan de werkgever, die vervolgens zonder de betaling van een transitievergoeding de arbeidsovereenkomst met de werknemer opzegt.

Opzegging

De werknemer, die zich ook bij het UWV al had verweerd, is niet gelukkig door de opzegging zonder transitievergoeding. De werkgever beroept zich echter op de van toepassing zijnde cao. Daar laat de werknemer het niet bij zitten en hij daagt de werkgever voor de kantonrechter. Echter daar vangt hij helaas bot. Want de kantonrechter oordeelt, dat de in de cao genoemde voorziening te kwalificeren is als een in de cao opgenomen aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt, zo overweegt de kantonrechter, dat er bij een gelijkwaardige voorziening sprake moet zijn van een voorziening in geld en/of natura die het equivalent vormt van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding.

Premievrij

In het onderhavige geval van deze werknemer wordt in de cao bepaald dat de premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, moet worden aangemerkt als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening.

Dat impliceert, dat ook als de werknemer toch niet aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidspensioen of dit om een of andere reden niet tot uitkering komt en het ouderdomspensioen wordt wel premievrij voortgezet, dit heeft te gelden als een equivalent van de transitievergoeding. Voorts dient er, zo oordeelt de kantonrechter verder, anders dan zoals door werknemer is gesteld, niet te worden gekeken naar het (eerste) moment van uitkering van deze vergoeding (bij het einde van het dienstverband dus), maar naar het financiële voordeel dat de premievrije opbouw van het ouderdomspensioen voor de werknemer oplevert.

Aanknopingspunt

De rechter vindt in de wet geen aanknopingspunt dat de werknemer direct moet kunnen genieten van de voorziening. De voorziening zoals opgenomen in de cao is naar het oordeel van de kantonrechter collectiefgelijkwaardig. De wet dwingt er naar het oordeel van de kantonrechter ook niet toe dat wordt bekeken hoe een dergelijke voorziening achteraf individueel uitwerkt.

Dat de voorziening tot premievrije voorzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen voortvloeit uit de Pensioenovereenkomst is hiervoor geen beletsel, is de mening van de kantonrechter, nu de pensioenovereenkomst deel uit maakt van de cao. Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een in een cao opgenomen aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening ex artikel 7:673b BW. Op grond daarvan heeft werknemer geen recht op een transitievergoeding en wordt de vordering afgewezen.

Teleurstellend

Een voor de werknemer teleurstellende uitkomst. Het is niet bekend of er hoger beroep is ingesteld. Het oordeel van de kantonrechter kan heel gunstig uitvallen voor een werknemer die kort in dienst is en een hoog salaris geniet. Naarmate de werknemer langer in dienst is (en dus dichter bij zijn pensioen) is de premievrije opbouw van het ouderdomspensioen welhaast omgekeerd evenredig met de hoogte van een toe te kennen transitievergoeding.

Om die reden geeft de kantonrechter aan dat de regeling in de cao collectief gelijkwaardig is. Logisch is dat zeer zeker niet. De rechter geeft aan dat de wet er niet toe dwingt dat individueel gekeken wordt naar de uitwerking. Maar op grond van redelijkheid en billijkheid kan mogelijk voor de individuele werknemer toch tot een ander oordeel worden gekomen.

Hoge Raad

Daarnaast heeft de Hoge Raad ook reeds aangegeven, dat in voorkomende gevallen niet alleen de letterlijke tekst van de cao doorslaggevend is, maar ook de strekking en bedoeling kunnen meewegen in de uitleg van een bepaling. Ook dat levert nog perspectief op. Zowel voor werkgever als werknemer!