Hoewel ze naast de Libris Geschiedenis Prijs greep, heeft Mariëtte Wolf met 'Het Geheim van De Telegraaf' een tongstrelend boek afgeleverd. Vooral van de hoofdstukken over het begin van de ruim honderdjarige krant genoot ik tijdens de eindejaarsvakantie 2009-2010 als van een voortreffelijk bereid kerstgerecht. Je mag wel zeggen dat ik ze verslond.
Op zoek naar informatie over Bernard Canter, Telegraaf-redacteur van het eerste uur, herlas ik die hoofdstukken met vrucht.
Undercover
Bernard Canter behoorde rond 1900 volgens Wolf tot het slag redacteuren die het verschil konden maken. Hij werd de kampioen van het voor die tijd revolutionaire journalistieke genre van de sociale reportage. Beoefenaren van dit genre gingen voor hun krantenbijdragen undercover, zich zo in staat stellend het échte leven te doorgronden.
Canters verdiensten worden geroemd in een artikel van zijn tijdgenoot en collega C. Vreedenburgh. Dit artikel gaat over pandjeshuizen in Rotterdam. Vreedenburgh publiceerde het in december 1911 in 'Eigen Haard', een van Nederlands eerste geïllustreerde tijdschriften. Het stuk was hem uit de pen gevloeid na toepassing van Canters participerend-observerende methode. Met een oude pet op zijn hoofd en ook verder als werkman vermomd had hij zich gewapend met een in onderpand te geven versleten horloge of sjofele ketting een paar avonden onder het beleningsvolk gewaagd.
Vreedenburgh zond zijn reportage de wereld in op een moment dat de Pandhuiswet net van kracht was geworden. Deze wet, die kwetsbare consumenten bescherming moest bieden tegen knoeierijen in het pandhuiswezen, heeft honderd jaar bestaan zonder ooit te zijn aangepast aan veranderde omstandigheden. Pas sinds kort worden stappen gezet ter modernisering van de wet. In mijn volgende column ga ik hier dieper op in. Nu terug naar Vreedenburgh in 1911.
Duur krediet
In het Rotterdam van honderd jaar geleden was de met chronisch geldgebrek kampende kleine man sterk afhankelijk van de kredietkraan. Zoals Vreedenburgh laat zien, stond die open bij de Stadsbank van Lening en bij de zeventig particuliere pandhuisbedrijfjes die de stad rijk was. De bedrijfjes waren populairder dan de Stadsbank. Zij taxeerden namelijk hoger. Dat zij ook meer rente rekenden, lapten de beleners aan hun laars.
De pandjeshuizen hadden vooral weekklanten, deelnemers aan de bestaansstrijd die elke maandag hun zondagspak inruilden voor een voorschot van zeg drie gulden. Elke zaterdag, als er geld was binnengekomen, haalden ze dit pak weer op om het de volgende dag te kunnen dragen. Op die zaterdagen werd het voorschot terugbetaald en werden rente, 'hanggeld' en administratieloon verrekend. De kosten voor het wekelijkse voorschot van drie gulden konden op die manier oplopen tot twaalf gulden per jaar. Duur krediet.
We mogen nu in crisistijden leven, destijds was het leed onder de mensen nog veel groter.

© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer
Gerard Borst (1951) is onderzoeker Geldcultuur bij het
Geldmuseum in Utrecht. Hij schrijft...
Lees meer