Auke van der Woud is een prijzenswaardig historicus. Ook de jongste vrucht van zijn vaardige pen was weer goed voor een paar avonden onbekommerd leesgenot.
Ik geef u de titel van het boek: 'Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw'. Het gaat over de barre omstandigheden waarin een groot deel van de Nederlandse bevolking nog niet eens zo heel lang geleden moest leven, wonen en werken. In deze boekstaving van goorheid en gebrek trof mij speciaal de paragraaf over pandjeshuizen. Ik doe al een tijdje onderzoek naar pandjeshuizen, en heet alles wat daarover geschreven wordt van harte welkom. Maar als een auteur van het kaliber Van der Woud het onderwerp behandelt, is er pas echt reden tot feestvreugde.
Op Van der Woud kom ik terug. Nu eerst de actualiteit.
Kleuterkredietje
Door de crisis is lenen bij de bank moeilijker geworden. Citaat uit een regionale krant: "Waar ooit een oud giro-afschriftje genoeg was om een auto te betalen, moeten leenlustigen nu met de fiscale billen bloot om een kleuterkredietje los te peuteren. Dat lukt niet altijd en dan lokt het pandhuis. Geen lastige vragen, geen stapels papier, maar boter bij de vis."
Pandbelenen is zo simpel als wat. Je klopt aan bij de pandjesbaas met een onderpand: iets van goud, een stuk gereedschap, een laptop, een tv, een spelcomputer, een mobieltje. De pandjesbaas schat de verkoopwaarde en doet een bod. Dat geld kun je lenen. Als je de rente hebt betaald en de lening afgelost, krijg je het onderpand terug. Blijf je in gebreke, dan verkoopt de pandjesbaas het onderpand.
Meer en meer Nederlanders spreekt dit aan. Na bijna uit onze samenleving te zijn verdwenen, krijgt de lommerd volop gelegenheid tot een comeback.
Opvallend is dat het bij pandjeshuisbezoek niet exclusief lijkt te gaan om sociaal lager geplaatsten. Een pandjesbaas uit het zuiden des lands laat weten: "Onze ervaring is dat het sinds het uitbreken van de crisis drukker is geworden met mensen uit álle lagen van de bevolking."
Zedelijke daling
Rond 1900 – ik ben terug bij Van der Woud – kwamen pandjeshuisklanten wel uitsluitend uit de lagere maatschappelijke regionen, en dan met name uit de allerlaagste.
Mensen die op een iets hogere sociale sport stonden, de 'nette' arbeiders, de meest vooraanstaande knechten, de vaklui die zich burger voelden, probeerden uit alle macht het pandjeshuis te mijden. In deze kringen probeerde men zijn stand op te houden, wat onder meer betekende dat men zich op zondag niet in werkkleren kon vertonen.
Dit alles volgens Van der Woud, die tot slot van zijn paragraaf over pandjeshuizen een negentiende-eeuwse bron aanhaalt: "De werkman, die zondags thuis moet blijven, omdat zijn beste kleeren zijn beleend, is moreel vermoord en zijne kinderen deelen in die zedelijke daling."

© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer
Gerard Borst (1951) is onderzoeker Geldcultuur bij het
Geldmuseum in Utrecht. Hij schrijft...
Lees meer