De hypotheekrenteaftrek is "een instrument dat de overheid heeft geboden om het eigenwoningbezit te stimuleren", zei Jan Peter Balkenende in 2006 op Radio 1. Wie de geschiedenis induikt, kan niet anders dan concluderen dat de premier het fout heeft.
De aftrek werd in 1893 ingevoerd door minister Nicolaas Pierson, ter compensatie van de eerste inkomstenbelasting. Tot die tijd werd belasting geheven in de vorm van accijnzen op artikelen als zeep, zout en suiker. Omdat die voor iedereen even hoog waren, vormden zij voor de arme bevolking een zware last. Hervorming van het "onbillijke belastingstelsel" was een "dringende eisch der rechtvaardigheid," aldus koningin-regentes Emma in 1891 in de troonrede.
Voortaan betaalde ieder belasting over zijn inkomen en zijn eigen woning. Er klonk protest van de gegoede burgerij: in 1894 werd een Vereeniging tot het Weigeren van Belastingbetaling opgericht, en minister Pierson van Financiën was niet meer welkom in zijn Haagse sociëteit De Witte.
Om het rijke smaldeel tegemoet te komen, stelde Pierson de kosten die gemaakt werden om inkomen en huizenbezit te verwerven, fiscaal aftrekbaar werden. De belasting op koopwoningen kost de staat sindsdien meer dan dat hij oplevert. Pas toen de economie na de oorlog flink groeide, kreeg de notie dat eigenwoningbezit goed was voor de maatschappij vaste voet aan de grond. In 1945 was 28% van de woningmarkt een koopwoning, inmiddels is het streven dat dit in 2010 65% moet zijn.
Onveranderd is dat de belasting op woningbezit de staat jaarlijks miljarden kost. De druk om de hypotheekrenteaftrek te versoberen, begint dan ook toe te nemen.
Volgens Kromhout en Oving heeft de hypotheekrenteaftrek inmiddels een averechts werking: De regeling drijft de prijs voor koophuizen op, waardoor starters de dupe zijn.

© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer