A - B - C- D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
Actieve deelnemer. De werknemer die pensioen opbouwt via de pensioenregeling.
Actuariële korting. Als je je pensioen eerder in laat gaan dan de officiële ingangsdatum, wordt het pensioen actuarieel gekort. Het pensioen wordt dan, rekening houdend met rente en sterftekansen, verlaagd.
Afkoop. Over afkoop praat je als je pensioen niet wordt uitgekeerd in maandelijkse termijnen, maar in één keer. Het is wettelijk bijna altijd verboden.
Afstempelen. Niet alleen toekomstige opbouw, maar ook al bestaande pensioenrechten worden gekort. dit wordt gezien als een zeer extreem middel.
Algemene Nabestaandenwet. Afgekort: Anw. De Anw voorziet in een uitkering aan de partner kinderen bij overlijden van de premiebetaler. Het recht op een Anw-nabestaandenuitkering is afhankelijk van inkomen, leeftijd, gezinssamenstelling en mate van arbeids(on)geschiktheid van de nabestaande. Indien je partner kinderen onder de 18 verzorgt is er ook een halfwezenuitkering. Ook voorziet de Anw – tot een bepaalde leeftijd – in een uitkering voor je kinderen als die ouderloos zijn geworden.
AOW. Voluit: Algemene Ouderdomswet. Inkomen waarop iedere inwoner van Nederland vanaf zijn 65e recht heeft. De hoogte van de AOW is afhankelijk van je leefsituatie. Iedere burger die tussen zijn of haar 15e en 65e levensjaar in Nederland woont, bouwt jaarlijks 2% AOW op. Wanneer je gedurende deze periode in het buitenland woont, heeft dit gevolgen voor de AOW-uitkering.
Arbeidsongeschiktheidspensioen. Pensioen dat uitgekeerd wordt als je arbeidsongeschikt wordt. Voor werknemers is er de WIA. In sommige pensioenregelingen is voorzien in een aanvulling op de WIA-uitkering. Dit pensioen eindigt uiterlijk op de pensioenleeftijd.
Aspirantdeelnemer. Je voldoet nog niet aan de voorwaarden om mee te kunnen doen aan de pensioenregeling. Je bent bijvoorbeeld nog te jong of te kort in dienst. Voor aspirant-deelnemers kan op risicobasis een partnerpensioen en soms ook een arbeidsongeschiktheidspensioen worden verzekerd. Bij overlijden of arbeidsongeschikt worden is er dan toch een uitkering. Met ingang van 2008 geldt als toetredingsleeftijd ten hoogste de leeftijd van 21 jaar. Je kunt dan alleen aspirantdeelnemer zijn als je nog geen 21 jaar bent. Met ingang van 2008 mag voor het partnerpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen geen wachttijd meer worden gehanteerd. Voor het ouderdomspensioen geldt vanaf 2008 een wachttijd van ten hoogste twee maanden.
Backservice. Is van toepassing op een pensioenregeling die gebaseerd is op het eindloon. Gaat je salaris omhoog, dan gaat ook je in het verleden opgebouwde pensioen omhoog. Deze verhoging is de ‘backserviceverhoging’.
Banksparen. In Nederland sinds 1 januari 2008 wettelijk bestaande mogelijkheid om fiscaal gunstig te sparen bij een bank op een geblokkeerde rekening voor de aflossing van de hypotheek of voor een tijdelijke periodieke uitkering op de oude dag. De oude wetgeving voorzag uitsluitend in deze mogelijkheden bij verzekeraars.
Bedrijfstakpensioenfonds. Een pensioenfonds dat werkzaam is in één of meer bedrijfstakken. Meestal is in de bedrijfstak deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds verplicht gesteld. In principe zijn de pensioenen van alle werknemers en soms ook van zelfstandigen uit die bedrijfstakken ondergebracht bij dit bedrijfstakpensioenfonds.
Bereikbaar pensioen. Het pensioen dat je zou kunnen behalen, als je tot je pensioenleeftijd aan de pensioenregeling zou blijven deelnemen. Op je pensioenopgave staat het bereikbare pensioen vermeld. Het partnerpensioen is bijna altijd afgeleid van het bereikbare pensioen.
Beroepspensioenfonds. Pensioenfonds voor beoefenaren van een bepaald beroep, zoals fysiotherapeuten of huisartsen. Als er een beroepspensioenfonds is, zijn alle beroepsgenoten verplicht om zich erbij aan te sluiten. Het is ook mogelijk dat er geen beroepspensioenfonds is, maar wel een verplicht gestelde pensioenregeling.
Beschikbarepremieregeling. Pensioenregeling waarin aan de deelnemer een premie wordt toegezegd. De hoogte van de uitkering (het pensioen) is afhankelijk van de betaalde premie, de daarmee behaalde beleggingsopbrengsten en het inkooptarief voor pensioen op de pensioendatum. Pas bij pensionering is de precieze hoogte van het pensioen bekend.
Bestuur. Het pensioenfonds wordt bestuurd door vertegenwoordigers van werkgevers(organisaties) en werknemers(organisaties).
Bijsparen. In sommige pensioenregelingen kun je voor eigen rekening extra pensioengeld opzij zetten.
Bijzonder partnerpensioen. Het partnerpensioen waarop de ex-partner na scheiding recht kan hebben. De ex-partner ontvangt van de pensioenuitvoerder een bewijs van deze aanspraak.
Bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen. Het partnerpensioen waarop de ex-partner na scheiding recht kan hebben. De ex-partner ontvangt van de pensioenuitvoerder een bewijs van deze aanspraak.
Burgerlijke staat. De AOW-uitkering die je krijgt is afhankelijk van je leefsituatie. In je pensioenregeling mag bij het ouderdomspensioen geen onderscheid gemaakt worden naar burgerlijke staat. Bij het partnersioen mag dit wel. Wordt in de pensioenregeling het partnerpensioen opgebouwd dan heb jij, ongeacht je burgerlijke staat, het recht dit partnerpensioen op de pensioendatum in te ruilen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen.
Cafetariasysteem. Systeem waarbij je diverse keuzes hebt zoals in pensioenvormen en pensioenhoogtes. Je kunt bijvoorbeeld op voorhand kiezen voor een hoger nabestaandenpensioen of een hoger arbeidsongeschiktheidspensioen.
Combinatieregeling. In een combinatieregeling is er een mix van twee pensioensystemen. Tot een bepaald salarisniveau bouw je pensioen op volgens een eindloon- of middelloonsysteem en daarboven geldt een beschikbarepremieregeling. Ook zijn er combinatieregelingen waarin je over de hele pensioengrondslag deels opbouwt volgens een eindloon- of middelloonsysteem en deels volgens een beschikbarepremieregeling.
Conversie. Een methode waarbij een of meer pensioensoorten worden omgezet in een andere pensioensoort. Je kunt er bijvoorbeeld mee te maken krijgen bij scheiding. Je kunt bij echtscheiding overeenkomen dat de pensioenen die aan je ex-partner toekomen (deel van het ouderdomspensioen en het bijzonder nabestaandenpensioen) worden omgezet in één eigen pensioen voor je ex-partner.
Deelnemer. De werknemer die meedoet aan de pensioenregeling en voor wie pensioenrechten worden opgebouwd bij een pensioenfonds of levensverzekeringsmaatschappij.
Deelnemersraad. Orgaan binnen een pensioenfonds dat het bestuur van het fonds adviseert. Als 5% van alle (ex) deelnemers van het pensioenfonds daarom verzoekt, moet een deelnemersraad worden ingesteld. Het bestuur van het pensioenfonds kan ook vrijwillig een deelnemersraad instellen.
Deelnemingsjaren. Het aantal jaren dat je meedoet aan een pensioenregeling en dus pensioen opbouwt. Worden ook wel dienstjaren genoemd Deelnemingsjaren kunnen onder bepaalde voorwaarden ook later worden ingekocht. Alleen als je 40 deelnemingsjaren hebt, kun je in aanmerking komen voor een 40-deelnemingsjarenpensioen.
Deeltijdpensioen. Een vorm van (vervroegde) pensionering, waarbij je voor een gedeelte met pensioen gaat en voor een gedeelte blijft werken.
Deeltijdwerker. Je bent deeltijdwerker als je minder werkt dan de gebruikelijke arbeidstijd in de onderneming. Je mag als deeltijdwerker niet uitgesloten worden van deelname aan de pensioenregeling. Als je in deeltijd gaat werken binnen 10 jaar voorafgaande aan pensionering, mag de pensioenopbouw worden voortgezet op basis van het vroegere, voltijdsalaris. Dit is echter niet verplicht.
Dekkingsgraad. Indicator voor de vermogenspositie van een pensioenfonds: De waarde van het totale vermogen (in beleggingen) gedeeld door de prijs van de verplichtingen (uitkeringen aan pensioensgerechtigden). Bij een dekkingsgraad van 100% heeft een pensioenfonds net genoeg vermogen om de verplichtingen na te komen, boven de 100% beschikt het fonds over buffers. Bij een lager percentage dan 100% is er sprake van onderdekking. Dit is niet direct een probleem, omdat er altijd wel voldoende geld in kas is om de huidige generatie pensioengerechtigden hun pensioen te betalen. Voor toekomstige generaties kan er echter te weinig pensioen zijn, wanneer niet tijdig wordt ingegrepen. Sommige pensioenfondsen publiceren maandelijks hun dekkingsgraad, andere zelden.
Demotie. Verplaatsing van een hogere functie naar een lagere, met verlaging van het salaris (het omgekeerde van promotie). Als demotie plaatsvindt in de 10 jaar voorafgaande aan pensionering, mag je pensioenopbouw worden voortgezet op basis van het vroegere, hoge salaris. Dit is echter niet verplicht.
Detacheringsverklaring. Werknemers die tijdelijk in het buitenland werken hebben een detacheringsverklaring nodig om aan te tonen dat ze in Nederland sociaal verzekerd zijn. Op die manier hoeven ze geen premies af te dragen in het land waar ze werken.
Dienstjaar. Zelfde als een deelnemingsjaar.
Doorsneepremie. Een premie die voor een bepaalde groep uniform is vastgesteld zonder rekening te houden met individuele verschillen in leeftijd, burgerlijke staat of geslacht.
Eindloonregeling. Pensioenregeling waarin de hoogte van je pensioen is afgeleid van het salaris dat je direct voorafgaand aan de pensioendatum verdient. Bij iedere salarisverhoging wordt het pensioen dat je al hebt opgebouwd opgetrokken naar het nieuwe salarisniveau.
Excedentregeling. Deze regeling is bedoeld voor mensen die meer verdienen dan het maximumsalaris dat de pensioenregeling stelt. Het is een extra aanvullende pensioenregeling waarmee ze ook pensioen kunnen opbouwen over het salaris boven het gestelde maximum.
Factor A. De factor die aangeeft wat de pensioenaangroei is geweest in een bepaald jaar. Je pensioenuitvoerder moet je jaarlijks een opgave verstrekken van de factor A. Je hebt de factor A nodig om je jaarruimte te kunnen berekenen.
Fictieve deelnemersjaren. De jaren die meetellen voor de berekening van je pensioen, terwijl je in die periode niet in dienst was bij je huidige werkgever. Fictieve deelnemersjaren (of: dienstjaren) ontstaan bij waardeoverdracht.
Flexibele pensionering. Regeling waarbij je als deelnemer, binnen bepaalde grenzen, zelf de pensioeningangsdatum kunt kiezen.
FOR. De (fiscale) oudedagsreserve. Een belastingfaciliteit voor de zelfstandige ondernemer. Door een toevoeging te doen aan de oudedagsreserve kun je als ondernemer belastingheffing uitstellen.
Franchise. Dat deel van je salaris dat niet meetelt voor de opbouw van je pensioen. Je krijgt immers later ook AOW, dus je hoeft niet over je hele salaris pensioen op te bouwen. Het franchisebedrag is vaak afgeleid van de AOW.
FVP-regeling. Dankzij deze regeling kunnen werklozen, ouder dan 40 jaar, hun pensioenopbouw voortzetten zolang ze een loongerelateerde werkloosheidsuitkering ontvangen. Vanaf 1 juli 2004 geldt voor de FVP-regeling een wachttijd van 180 dagen.
Gematige eindloonregeling. Eindloonregeling waarbij tot een bepaalde leeftijd het pensioen dat je al hebt opgebouwd wordt afgeleid van het laatstverdiende salaris. Vanaf die leeftijd bouw je jaarlijks een stuk pensioen op dat afgeleid is van het dan geldende salaris. Het in het verleden opgebouwde pensioen wordt niet meer naar het nieuwe salarisniveau opgetrokken. Doel van de matiging is te voorkomen dat een late carrièresprong veel invloed heeft op de hoogte van het pensioen en tot een kostenexplosie leidt Eindloonregelingen waarbij de matiging gekoppeld is aan een bepaalde leeftijd zijn niet meer toegestaan omdat dit een verboden onderscheid op grond van leeftijd is.
Gewezen deelnemer. Je bent gewezen deelnemer als je deelname aan de pensioenregeling is gestopt doordat je niet langer bij het bedrijf of in de bedrijfstak werkt Je houdt recht op wat je hebt opgebouwd, maar bouwt nu niet meer op.
Halfwezenuitkering. Uitkering aan de ouder of verzorger van een kind dat jonger is dan 18 jaar, en dat als gevolg van het overlijden nog maar één ouder heeft. Vloeit voort uit de Anw en bedraagt 20% van het netto minimumloon.
Hoog/laag-constructie. Constructie, waarbij je kunt kiezen voor een hogere uitkering in de eerste jaren van je pensioen en daarna een lagere, of omgekeerd. Op grond van fiscale wetgeving is een variatie tussen de hoogste en de laagste uitkering van maximaal 100:75 toegestaan. Je hoeft je niet aan die grens te houden als je je pensioen eerder in laat gaan en in de periode tot 65 jaar wil voorzien in een AOW-overbrugging.
Indexering. Verhoging van het pensioen naar aanleiding van prijsstijging of loonontwikkeling. Geldt voor het pensioen van gepensioneerden en slapers. Ook actieve deelnemers aan een middelloonregeling hebben er mee te maken. Men noemt dit ook wel toeslag. Indexering is echter nagenoeg altijd voorwaardelijk. Dat betekent dat er alleen geïndexeerd wordt indien er voldoende middelen zijn.
Kapitaaldekkingstelsel. Systeem waarin de pensioenen worden gefinancierd uit opgespaard kapitiaal. Geld voor de Nederlandse ouderdomspensioenen behalve de AOW: Tegengestelde: omslagstelsel.
Keuzerecht. Het recht om uiterlijk op de pensioendatum je opgebouwde partnerpensioen om te zetten in een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen. Het keuzerecht is niet van toepassing op partnerpensioen dat op risicobasis is verzekerd. Vanaf 2008 geldt ook een keuzerecht waarmee een deel van het ouderdomspensioen wordt omgezet in partnerpensioen. Deze keuzemogelijkheid bestaat bij ontslag en bij pensionering.
Knipbepaling. Een bepaling bij eindloonregeling die tot gevolg heeft dat je pensioenopbouw in feite in twee delen wordt geknipt. De pensioenregeling kan bepalen dat een dergelijke knip wordt toegepast bij een substantiële verhoging of en substantiële verlaging van het (pensioengevend) salaris. Bij een salarisverhoging zorgt de knipbepaling voor een matiging van de opbouw op basis van het eindloon. Bij een salarisverlaging biedt de knipbepaling de mogelijkheid voor demotie zonder dat dit negatieve consequenties heeft voor de hoogte van je reeds opgebouwde pensioen.
Korting partnerpensioen. In veel pensioenregelingen geldt dat het partnerpensioen met 2,5% wordt gekort voor ieder jaar dat de partner meer dan 10 jaar jonger is dan de deelnemer aan de regeling. De Commissie Gelijke Behandeling heeft hier overigens bezwaar tegen.
Levensloopregeling. Een regeling waarbij je ten hoogste 12% van je brutoloon kunt sparen. Ben je op 1 januari 2005 tussen de 50 en 55 dan mag je nog meer sparen. Je levenslooptegoed mag ten hoogste 210% van je jaarsalaris bedragen. Je kunt in de levensloopregeling sparen voor inkomen tijdens verlofperiodes. Je werkgever mag een financiële bijdrage aan de levensloopregeling leveren. Over de uitkeringen uit de levensloopregeling wordt belasting geheven. Ook kun je het levenslooptegoed gebruiken om eerder te stoppen met werken of om door te sluizen naar je ouderdomspensioen.
Lijfrente. Aanspraak op een reeks vaste periodieke uitkeringen, die uiterlijk bij overlijden eindigt. Te vergelijken met een uitkering uit een pensioenregeling. De aanspraak is afhankelijk van het leven van één of meerdere personen.
Lijfrentepremieaftrek. De premie betaald voor een lijfrenteverzekering kan onder bepaalde voorwaarden in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen. Over de lijfrenteuitkering moet te zijner tijd belasting worden betaald.
Medezeggenschap. De mogelijkheid van (gewezen) deelnemers om inspraak te hebben bij de uitvoering van de pensioenregeling. Vooral de medezeggenschap van gepensioneerden staat in de belangstelling. In een convenant tussen de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties is afgesproken om bij alle collectieve pensioenregelingen de gepensioneerden medezeggenschap te geven bij de uitvoering. Zie ook deelnemersraad.
Middelloonregeling. In de middelloon- of opbouwregeling word je pensioen berekend op basis van het gemiddelde salaris dat je tijdens je loopbaan hebt verdiend. Je in eerdere jaren opgebouwd pensioen wordt niet opgehoogd tot het niveau van het laatste salaris. De pensioenregeling kent dus geen backservice zoals in de eindloonregeling. Je eenmaal opgebouwde rechten worden bij een middelloonregeling meestal wel geïndexeerd. Indexering is echter nagenoeg altijd voorwaardelijk. Dat betekent dat er alleen geïndexeerd wordt indien er voldoende middelen zijn.
Nabestaandenlijfrente. Deze lijfrente is bedoeld voor de verzorging van nabestaanden. De lijfrente kan uitsluitend ingaan bij jouw overlijden (als jij de premie afgetrokken hebt) of bij het overlijden van je partner. Alleen bij de Anw-gatverzekering hoeft de lijfrente niet meteen na overlijden in te gaan. De ingangsdatum kan ook opgeschoven worden naar het tijdstip waarop het jongste kind 18 wordt (en het recht op een Anw-uitkering dus vervalt). Als de lijfrente wordt uitgekeerd aan je kinderen, moet de uitkering eindigen bij hun overlijden of anders uiterlijk op hun 30e verjaardag.
Nabestaandenoverbruggingspensioen. Het tijdelijke partnerpensioen dat bedoeld is om het gemis aan Anw te compenseren. Ook ter compensatie van de hogere premiedruk die geldt tot je 65e.
Nabestaandenpensioen. Pensioen dat – doorgaans levenslang – wordt uitgekeerd aan de partner (of kinderen) van de deelnemer aan een pensioenregeling. Verzamelnaam voor weduwen-, weduwnaars-, wezen- en partnerpensioen.
Niet-actieve deelnemer. Je doet niet meer mee aan de pensioenregeling, omdat je niet langer bij het bedrijf of in de bedrijfstak werkt. Je houdt recht op wat je hebt opgebouwd, maar bouwt nu niet meer op.
Omkeerregel. Niet de pensioenpremies behoren tot het fiscaal belastbare loon, maar de pensioenuitkeringen. Dit betekent dat niet de pensioenaanspraak wordt belast, maar de te zijner tijd te ontvangen pensioenuitkering.
Omslagstelsel. Financieringsvorm waarbij de werkenden premies betalen, waarmee op hetzelfde moment uitkeringen aan pensioengerechtigden worden betaald. In Nederland wordt het omslagstelsel onder meer toegepast voor de financiering van de AOW en de VUT-regeling. De Pensioen- en spaarfondsenwet staat het omslagstelsel voor toegezegde pensioenaanspraken niet toe. Tegenovergestelde: kapitaaldekkingsstelsel.
Ondernemingspensioenfonds. Een aan één of meer ondernemingen verbonden pensioenfonds. Ondernemingspensioenfondsen hebben vrijwel altijd de rechtsvorm van een stichting.
Ontslagrechten. Als je niet meer meedoet aan de pensioenregeling, behoud je recht op het pensioen dat je al hebt opgebouwd.
Opbouwpercentage. Per jaar bouw je een deel van je uiteindelijke pensioen op. In een eindloon- of middelloonregeling bouw je doorgaans ieder jaar 1/40e deel op, ofwel 1,75%. Deze 1,75 is het opbouwpercentage per dienstjaar.
Opbouwregeling. In de middelloon- of opbouwregeling wordt je pensioen berekend op basis van het gemiddelde salaris dat je tijdens je loopbaan hebt verdiend. Je in eerdere jaren opgebouwd pensioen wordt niet opgehoogd tot het niveau van het laatste salaris. De pensioenregeling kent dus geen backservice zoals in de eindloonregeling. Je eenmaal opgebouwde rechten worden bij een middelloonregeling meestal wel geïndexeerd. Dat gebeurt doorgaans alleen als het pensioenfonds voldoende middelen heeft.
Oudedagslijfrente. Deze lijfrente is bedoeld als een levenslange ouderdomsvoorziening. De lijfrente kan ingaan wanneer je maar wilt. Als jij de premie hebt afgetrokken, mag de uitkering alleen aan jou plaatsvinden.
Oudedagsreserve. Als je bedrijf winst maakt, mag je een deel daarvan als oudedagsreserve op je balans opnemen. Elk jaar mag je opnieuw beslissen of je een deel van de winst als oudedagsreserve opneemt. Let er wel op dat je met je oudedagsreserve niet echt een pensioen opbouwt. Je hebt alleen een fiscale reserve gevormd. Over die reserve moet je straks afrekenen met de fiscus.
Ouderdomspensioen. Het ouderdomspensioen krijg je uitgekeerd vanaf de pensioendatum (meestal 65 jaar) tot je overlijden. Meestal in maandelijkse termijnen. Naast het levenslange pensioen bestaat er ook tijdelijk ouderdomspensioen.
Overbruggingspensioen. Pensoen dat het inkomen aanvult tot uw 65ste, om te compenseren voor het ontbreken van AOW-uitkering en de nog hogere belasting en premieafdrachten voor wie ouder is dan 65. Maakt onderdeel uit van een vroegpensioen: pensioenregeling met een pensioenleeftijd van eerder dan 65 jaar.
Partnerpensioen. Het pensioen voor de achterblijvende partner. Wordt uitgekeerd vanaf je overlijden tot het overlijden van je partner. In het verleden sprak men van weduwepensioen en later ook van weduwnaarspensioen. Tegenwoordig wordt de term partnerpensioen, of de term nabestaandenpensioen, gebruikt als verzamelnaam voor alle pensioenen voor de achterblijvende partner, of dit nu een huwelijkspartner is of niet.
Partnerpensioen op opbouwbasis. Vorm van opbouw van een partnerpensioen. Er wordt een pot opgebouwd waaruit de partner na overlijden van de verzekerde uitkering uit krijgt. Na het stoppen van de premiebetaling of na echtscheiding blijven de opgebouwde rechten bestaan.Als de partner instemt kan het partnerpensioen worden ingeruild voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen.
Partnerpensioen op risicobasis. Vorm van opbouw van een partnerpensioen. Bestaat uit een verzekering tegen overlijden van de verzekerde. Net als bij andere verzekeringen verdwijnen de rechten zodra de premiebetaling stoppen.
Partnertoeslag AOW. Toeslag op de AOW-uitkering als je een partner hebt die jonger is dan 65. Wie 65 wordt op of na 1 januari 2015, ontvangt geen partnertoeslag meer. De partner die als eerste 65 wordt, ontvangt vanaf die datum alleen zijn eigen AOW. De AOW voor de partner wordt uitgekeerd op het moment dat die 65 wordt.
Pensioenbreuk. Pensioennadeel dat kan ontstaan als je van werkkring verandert, en daardoor van pensioenregeling. Het al opgebouwde pensioen bij je oude werkgever wordt dan soms niet volledig aangepast aan de prijs- of loonontwikkeling. Bij een eindloonregeling kan het nadeel ook ontstaan als je in je nieuwe baan carrière maakt en meer gaat verdienen. De backservice krijg je alleen over het pensioen dat bij de nieuwe werkgever is opgebouwd en niet over de ‘oude’ pensioenrechten. Een oplossing hiervoor kan zijn dat je je opgebouwde pensioenaanspraken meenemen naar je nieuwe pensioenuitvoer der ('waardeoverdracht').
Pensioenbrief. Schriftelijke overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer, waarin met de werknemer een individuele pensioenovereenkomst wordt gesloten.
Pensioenclausule. Clausule die bepaalt dat je te zijner tijd het bereikte kapitaal uitsluitend kunt gebruiken voor de aankoop van pensioen in de zin van de Pensioenwet.
Pensioendatum. De datum waarop volgens de pensioenregeling je ouderdomspensioen ingaat.
Pensioenfonds. Een organisatie die de pensioenpremies ontvangt, bewaakt, belegt en zorgt voor de uitkering aan gepensioneerden. Er zijn bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, en beroepspensioenfondsen. Pensioenfondsen staan onder toezicht van de De Nederlandsche Bank (www.dnb.nl).
Pensioengat. Er wordt van een pensioengat gesproken als u na uw 65ste minder dan 70% van uw laatsteverdiende loon of uw geiddelde loon krijgt. Een gat hoeft natuurlijk geen ramp te zijn, misschien kunt u wel met minder toe, bijvoorbeeld dankzij eigen vermogen.
Pensioengrondslag. Je salaris min de franchise. De pensioengrondslag is het bedrag waarmee je pensioen wordt berekend. Je eigen bijdrage is vaak uitgedrukt in een percentage van de pensioengrondslag.
Pensioenleeftijd. De leeftijd waarop volgens de pensioenregeling je ouderdomspensioen ingaat.
Pensioenovereenkomst. De overeenkomst tussen de werkgever en de werknemer dat aan de werknemer een pensioen wordt uitgekeerd, nadat die de pensioenleeftijd bereikt, arbeidsongeschikt raakt of komt te overlijden. Dat pensioen kan worden uitgekeerd aan de werknemer zelf of aan diens nabestaanden.
Pensioenpromotie. Bevordering van een werknemer met een bijbehorende salarisverhoging met als doel het pensioen substantieel te verbeteren. In veel pensioenregelingen is dit niet mogelijk doordat een knip of matiging wordt gehanteerd.
Pensioenreglement. Schriftelijk document waarin precies staat omschreven hoe je pensioenregeling in elkaar steekt, wat de rechten en plichten zijn van jou en je pensioenuitvoerder.
Pensioenuitvoerder. De instantie die jouw pensioen uitvoert (administratie, helpdesk, beleggen van pensioengelden, uitkeren van pensioen). Bijvoorbeeld een pensioenfonds of een levensverzekeraar.
Pensioenverevening. Bij echtscheiding wordt het ouderdomspensioen verdeeld.
Premie. Het bedrag dat je werkgever aan de pensioenuitvoerder moet betalen om je pensioen te financieren.
Premievrije (pensioen)opbouw. Ben je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt dat gaat je pensioenopbouw (gedeeltelijk) door. Je betaalt voor die opbouw geen premie.
Premievrije aanspraak. Als je niet meer meedoet aan de pensioenregeling, behoud je recht op het pensioen dat je al hebt opgebouwd. Daar hoef je geen premie meer voor te betalen. Als in de pensioenregeling de ingegane pensioenen worden geïndexeeerd, worden ook de premievrije aanspraken van de gewezen deelnemers geïndexeerd.
Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Ben je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt dat gaat je pensioenopbouw (gedeeltelijk) door. Je betaalt voor die opbouw geen premie.
Prepensioen. Een tijdelijk ouderdomspensioen dat voorafgaand aan het levenslange ouderdomspensioen wordt uitgekeerd. Het was bedoeld als vervanging van de VUT-regeling. Tijdens de periode van het prepensioen mag de pensioenopbouw voor het gewone ouderdomspensioen worden voortgezet. De regeling voor prepensioen was tijdelijk. De opbouw van prepensioen is vanaf 2006 nog mogelijk voor deelnemers die op 1 januari 2005 al 55 jaar of ouder zijn. Voor 55-minners is het weliswaar ook nog mogelijk, maar fiscaal zo onaantrekkelijk dat die regeling in de praktijk zal verdwijnen.
Reserveringsruimte. De mogelijkheid die je kunt hebben om een lijfrentepremie in aftrek te brengen op in inkomen vanwege een pensioentekort dat je in voorgaande jaren hebt opgelopen. De reserveringsruimte is een optelsom van de jaarruimtes die je in de afgelopen 7 jaar niet hebt gebruikt.
Risico partnerpensioen. Je bent verzekerd tegen het risico dat je komt te overlijden. Kom je inderdaad te overlijden, dan krijgt je partner een partnerpensioen. Wanneer de premiebetaling stopt (bijvoorbeeld bij ontslag of op de pensioendatum), dan is er geen aanspraak op een partnerpensioen. De risicoverzekering voor het partnerpensioen is te vergelijken met een verzekering voor je auto of de brandverzekering voor je huis. Je bent verzekerd zolang je premie betaalt. Stop je met premie betalen dan is er geen verzekering meer. Is je partnerpensioen op risicobasis verzekerd, dan vervalt het pensioen bij ontslag. Na een echtscheiding heeft je ex-partner geen aanspraak op partnerpensioen. Op de pensioendatum is er geen partnerpensioen, dus je kunt dit ook niet inruilen. Wel biedt de pensioenregeling de mogelijkheid om bij ontslag en bij pensionering een deel van je ouderdomspensioen in te ruilen voor een partnerpensioenpensioen.
Slaper. Deelnemer in een pensioenregeling die nog wel pensioenrechten heeft, maar geen premie meer afdraagt, en ook nog niet gepensioneerd is.
Tijdelijk partnerpensioen. Een tijdelijke verhoging van het partnerpensioen voor je partner. Eindigt meestal op 65-jarige leeftijd. Het kan bedoeld zijn om het hogere belastingtarief en de hogere sociale premies vóór 65 jaar te compenseren. Of om het gemis aan Anw te compenseren.
Tijdelijke oudedagslijfrente. Deze lijfrente is bedoeld om ervoor te zorgen dat je tijdelijk een hoger inkomen hebt. Als jij de premie hebt afgetrokken, mag de uitkering alleen aan jou plaatsvinden. De uitkeringsduur moet minimaal vijf jaar zijn. De uitkering moet eindigen bij het overlijden van de belastingplichtige. De uitkering is aan een maximum gebonden.
Tijdsevenredig ouderdomspensioen. Als je vóór de pensioendatum je deelneming aan de pensioenregeling beëindigt, houd je een recht op het opgebouwde ouderdomspensioen en het opgebouwde partnerpensioen. Bij kapitaalovereenkomsten of premieovereenkomsten houd je recht op het kapitaal dat tot op de ontslagdatum is opgebouwd.
Toeslag. Verhoging van het pensioen naar aanleiding van prijsstijging of loonontwikkeling. Geldt voor het pensioen van gepensioneerden en slapers. Ook actieve deelnemers aan een middelloonregeling hebben er mee te maken. Men noemt dit ook wel indexering. Toeslagverlening is echter nagenoeg altijd voorwaardelijk. Dat betekent dat er alleen een toeslag wordt verleend wordt indien er voldoende middelen zijn.
Toetredingsleeftijd. De leeftijd waarop je volgens de pensioenregeling mag meedoen aan de pensioenregeling. In het verleden was een toetredingleeftijd van 25 jaar heel gewoon. Vanaf 2008 geldt echter dan de toetredingsleeftijd ten hoogste 21 jaar mag zijn.
Uitruil. De mogelijkheid voor jou als deelnemer om het opgebouwde partnerpensioen om te zetten in een hoger (of eerder ingaand) ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen om te zetten in partnerpensioen.
Verevening pensioenrechten bij scheiding. Verdeling van het tijdens je huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen in geval van scheiding. De ex-partner krijgt de helft van het ouderpensioen dat je tijdens het huwelijk hebt opgebouwd.
Verlof. Als je verlof opneemt kan dit effect hebben op je pensioen.
Vroegpensioen. Pensioenregeling met een pensioendatum die gelegen is vóór je 65e. Keert vanaf de pensioenering tot de leeftijd van 65 een overbruggingspensioen uit.
VUT-regeling. Een regeling van Vervroegde Uittreding vóór de reglementaire pensioendatum. Is op vrijwillige basis. Je kunt geen ‘VUT-rechten’ opbouwen, zoals bij pensioen. Bij ontslag vervallen je aanspraken op VUT. Vanaf 2006 zijn de werknemerspremies voor de VUT niet meer aftrekbaar en is de werkgeversbijdrage belast. Deze nieuwe regel geldt niet voor de premies die betaald worden voor de vutuitkeringen van mensen die op 1 januari 2005 al 55 jaar of ouder zijn.
Waardeoverdracht. Het meenemen van een bij een eerdere werkgever en pensioenfonds opgebouwd pensioen naar een nieuw fonds. De nieuwe pensioenuitvoerder vertaalt het door jou meegenomen pensioen in een aantal opbouwjaren volgens de nieuwe pensioenregeling. Een aanvraag voor een offerte moet binnen zes maanden worden ingediend bij de nieuwe pensioengever.
Waardevast pensioen. Je pensioenaanspraken zijn waardevast indien zij na ingang of premievrijmaking jaarlijks worden verhoogd of verlaagd met het percentage waarmee de prijzen in een bepaalde periode zijn gestegen of gedaald. De toeslagverlening van pensioen is nagenoeg altijd voorwaardelijk. Dat betekent dat er alleen een toeslag wordt verleend indien daar genoeg geld voor is.
Wachttijd. Periode waarin je moet wachten voordat je mag deelnemen aan de pensioenregeling van je werkgever. Vaak worden na afloop van de wachttijd met terugwerkende kracht pensioenaanspraken toegekend, alsof je reeds bij aanvang van de wachttijd deelnemer was geweest. Met ingang van 2008 mag in een pensioenregeling voor het ouderdomspensioen een wachttijd worden gehanteerd van ten hoogste twee maanden.
Weduwenpensioen. Nabestaandenpensioen dat na je overlijden levenslang wordt uitgekeerd aan je echtgenote. Wanneer je trouwt of gaat samenwonen ná pensionering, heeft je partner geen recht op nabestaandenpensioen als je overlijdt.
Weduwnaarspensioen. Nabestaandenpensioen dat na je overlijden levenslang wordt uitgekeerd aan je echtgenoot. Wanneer je trouwt of gaat samenwonen ná pensionering, heeft je partner geen recht op nabestaandenpensioen als je overlijdt.
Welvaartsvast pensioen. Je pensioenaanspraken zijn waardevast indien zij na ingang of premievrijmaking jaarlijks worden verhoogd of verlaagd met het percentage waarmee de lonen in een bepaalde periode zijn gestegen of gedaald. De toeslagverlening van pensioen is nagenoeg altijd voorwaardelijk. Dat betekent dat er alleen een toeslag wordt verleend indien daar genoeg geld voor is.
Wezenpensioen. Het wezenpensioen wordt uitgekeerd aan je kind(eren) na je overlijden. Het gaat vaak om een halfwezenpensioen (er is nog één ouder in leven). Vaak stopt het wezenpensioen in principe op 18- of 21-jarige leeftijd, maar loopt de uitkering langer door (tot bijvoorbeeld het 27e jaar) als je kind studeert of arbeidsongeschikt is. Als beide ouders (verzorgers) zijn overleden, krijgen de dan volle wezen meestal een dubbel wezenpensioen.

© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer