Nieuws/Vrij

Op sterven na dood

Door Babette Wieringa

Dat blauwe bakje

Dat blauwe bakje

Ik kreeg mail van een van de leden van De Karawanken, een mannenkoor uit Uden dat zijn veertigjarig jubileum viert. Bart Wagenaar schreef dat hij en de andere koorknarren – gemiddelde leeftijd 70,3 jaar – nog altijd dolenthousiast zingen.

Dat blauwe bakje

Dat blauwe bakje

Ik las het met een glimlach, maar dacht ook: hoelang nog? Want het kan bijna niet anders dan dat ook de mannenkoren eerdaags tot het verleden behoren, net als al die andere oude tradities en gewoonten die op sterven na dood zijn (of dat al zijn). Lidmaatschap van de Blauwe Knoop, een brief sturen, klederdracht en bellen vanuit de telefooncel zijn daar slechts een paar voorbeelden van.

Zo fascineerde mij als klein meisje de Tupperware-party’s dusdanig dat ik me deze avonden als de dag van gisteren herinner. Als ik het nu over het lichtblauwe Tupperware-bakje links achterin de koelkast (ja, ik ben nog steeds fan) heb, word ik thuis aangekeken alsof ik Russisch spreek. Overigens heb ik daar wel vaker last van, vooral als ik Amsterdamse woorden gebruik die net als de wereld van Tupperware in de vergetelheid zijn geraakt.

Sinds ik als kind in de Jordaan het advies skat zet een klot op je pan probeerde te begrijpen, is mijn plat Amsterdams er behoorlijk op vooruit gegaan. Mij maak je de pis dus niet lauw met opmerkingen als: hij heeft een tuintje op zijn buik, een drijver op zijn pruik gehad, kun je lappen kakken of ga je spatsies maken. Ik betrap mezelf met regelmaat op woorden als bijgoochem, nieges, in de lorem, paleissijs, blinde Maupie, naggelen, mesjogge, glimmerik, Haarlemmerdijkies, gleuvenrijder, schijthuis, mut en kwatsj. Niet bepaald ABN, maar wat geeft dat. Ik gebruik ze graag.

Sterker nog, ik vind dat dergelijke bijzondere woorden met een verhaal moeten worden gekoesterd. Want hoe zonde is het als er straks nauwelijks Amsterdams, maar ook geen Gronings, Brabants, Fries of Limburgs meer wordt gesproken? Precies, net zo jammer als wanneer Bart Wagenaar en zijn zangvrienden van de Karawanten geen opvolging zouden krijgen. Want hoewel vroeger vaak plaatsmaakt voor vooruitgang en niet alle tradities koste wat kost heilig moeten worden verklaard, zijn sommige gewoon te mooi om te laten doodbloeden.

Dat vindt zelfs mijn puberzoon die bij mannenkoren en telefooncellen onwetend zijn schouders ophaalt, maar zich er behoorlijk druk over maakt dat hij binnenkort moet memoreren aan de tijd dat hij nog zelf vuurwerk mocht afsteken. Want, zoals een rechtgeaarde Amsterdammer zou zeggen, zijn ze nou helemaal besnausneigerd?

Chef VRIJ