Nieuws/Vrij

Ouwe Jongens

Pijpen tussen schapenkoppen

Door Jeroen Hendriks

Dat klinkt als een soort occult vertier voor 18+, stelde een bezorgde collega, toen we het weekend doornamen. Ben je na dat gezweef bij die sjamaan soms helemaal ‘los’ geraakt? Ik moest bekennen dat ik weldegelijk in hogere sferen heb verkeerd. En dat genieten, of genotteren zoals mijn moeder vroeger zei, het hoogtepunt was.

Namelijk bij de officiële opening van De kunst van het genieten. Proeven, snuiven, ruiken in wolken van genot. Een tentoonstelling over de cultuur rond het pijproken. In Dordrecht, de stad van de schapenkoppen.

‘Hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt’, luidt een oud schippersgezegde. Meer aanmoediging had ik tientallen jaren niet nodig om bij dat vermeende voorstadje van 010 weg te blijven. Tot ik aan de arm van een local lady de oude binnenstad een beetje leerde kennen en begreep dat menig Dordtenaar ook niet erg warm loopt voor de Coolsingel. Sindsdien ben ik fan.

Want het stadje aan het Drierivierenpunt, het drukst bevaren waterknooppunt van Europa, kent een roemrijke geschiedenis. Rond het jaar 1120 ontstaan als Thuredrith, een doorwaadplaats van het riviertje de Thure. En nog steeds is het water rondom niet te missen.

Net als de vele herinneringen aan de strijd die er is gevoerd. Laatstelijk in WO2, waar Jo Mussert in mei 1940 de verdediging van de stad tegen de Duitsers aanvoerde, terwijl zijn broer Anton juist met gestrekte arm achter hen aan liep. Maar ook in de eeuwen ervoor is er flink geknokt en gemoord in en om Dordt.

Van al dat bloedvergieten is niets te merken in het Dordts Patriciërshuis aan de Wolwevershaven, waar eeuwenlang gegoede families woonden. De laatste bewoners, Laurens Gooshouwer en zijn gezin, hebben de woning zes jaar geleden verlaten. Hij verzamelde uit liefhebberij kunstvoorwerpen in huis tot zijn vrouw zei: We gaan er geen museum van maken! De rest is geschiedenis.

In dat fraai geconserveerde Patriciërshuis werd afgelopen vrijdag het officiële startschot gegeven voor een boeiende reis in de tabakstijd. Het pijproken is ruim 400 jaar geleden ons land komen binnenwaaien via Engelse huursoldaten van Willem van Oranje. Sindsdien is er een bloeiende industrie ontstaan, die later instortte en lang een zieltogend bestaan leidde.

En in al die eeuwen is er door ons volkje heel wat tabak gerookt, gesnoven en gepruimd. Liefst in combinatie met sloten alcohol bij het dessert dat het hoogtepunt vormde van een copieuze maaltijd. Maar tabak, al dan niet gemengd met geestverruimende middelen werd ook gebruikt als medicijn of gewoon om even te ontsnappen aan het aardse tranendal. Kortom een fraai inkijkje in het leven van onze voorouders.

Maar pas op, de pijp is terug! Volgens ’s lands laatste pijpenmaker Elbert Gubbels zijn hipsters en stoere mannen met baarden de nieuwe pijprokers. Het verhaal rond het maken van briar-houten pijpen, de duurzaamheid van het product en de hang naar een momentje voor jezelf bij het stoppen en roken van een pijp, voeden de revival.

Het is net als met de groeiende vraag naar handgemaakte longfillersigaren: al is de antirooklobby nog zo snel, de genieter achterhaalt hem wel.