Om ons alvast voor te bereiden op deze gesprekken zijn wij voor u alvast in het verhaal gedoken.
De roman De grote zaal, over eenzaamheid, ouderdom en de dood, werd in 1953 met dubbele gevoelens ontvangen. Enerzijds werd het moeder-dochter verhaal als een prachtige roman bejubeld. Anderzijds werd het schrijven van Jacoba van Velde gezien als een sociale aanklacht tegen de – toen nog bestaande – rusthuizen.
In De grote zaal beschrijft Van Velde deels autobiografisch het verhaal van haar moeder, die ook genoodzaakt werd om haar laatste periode op aarde in een rusthuis door te brengen. Het verhaal van Mevrouw van der Veen, afgewisseld door korte hoofdstukken over haar dochter Helena, is drukkend. De wantoestanden in het rusthuis; geen tijd om buiten te wandelen, een benauwde bezoekersruimte, een bezoek aan het toilet is alleen mogelijk als het personeel daar tijd voor heeft, maar vooral het besef dat je nóóit meer 1 minuutje alleen kunt zijn, én het besef dat je als oude vrouw alleen nog maar lastig gevonden wordt, het is te triest voor woorden. Maar het verhaal kent ook een mooie kant. De relatie van mevrouw van der Veen met haar –in Parijs wonende- dochter Helena wordt prachtig neergezet in een verrassende dialoogvorm.
Vanaf de eerste alinea tot de laatste voel je tot in je tenen mee met deze dame die maar één grote angst kent in het rusthuis: de grote zaal. Want als je daar eenmaal ligt, kom je er nooit meer weg. Hoewel de belevenissen in 1953 zijn opgetekend zou het verhaal zich ook in deze eeuw hebben kunnen afspelen. Alle vormen van menselijk verval komen aan bod en de emoties die hierbij vrij komen grijpen de lezer naar de keel.
De Grote zaal werd in 1953 in eerste druk uitgegeven door Uitgeverij Querido.
Van 22 oktober tot en met 19 november wordt het boek aan alle volwassen, betalende leden van de centrale bibliotheken gratis verstrekt.

© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer