Daphne Muriël Deckers is van alles wat. Ze is ex-topmodel, dé vrouw van
ex-toptennisser Richard Krajicek, presentratrice van onder meer Hollands
Next Topmodel en succesvol schrijfster.
Voor degenen die weinig verwachtingen hebben van wat zich tussen de lakens gaat afspelen, heb ik dan ook een woord van troost: er zit hoe dan ook genoeg leven in je bed. In ieder matras bevinden zich namelijk honderdduizenden huismijten; een onvoorstelbaar aantal dat in sommige gevallen zelfs kan oplopen tot twee miljoen. Het idee dat ik iedere avond op een kolonie van spinachtige diertjes moet slapen die zich voeden met mijn huidschilfers, vind ik bijzonder onsmakelijk. Alleen al het woord ‘huidschilfer’ heeft iets viezigs, maar de gemiddelde mens blijkt maar liefst tien gram van dat organische materiaal per week te verliezen. Daarvan belandt het merendeel in je bed, waar een hele nederzetting van huismijten bijzonder goed gedijt op een dieet van lichaamsvocht en losse velletjes. Maar dat is nog niet alles. Iedere mijt poept zo’n twintig keer per dag. Wanneer je hoofdkussen twee jaar oud is, bestaat tien procent van het gewicht uit een krioelende berg huismijten en hun mesthoop. (Maar dat is tenminste nog jóuw mijtenfamilie – kun je nagaan waar je in een hotel op ligt.)
In die uitwerpselen zit een proteïne dat bij ongeveer tien procent van alle Nederlanders een allergische reactie oproept. Veel mensen hebben echter geen idee dat zij hun loopneus, niesaanvallen of jeukerige ogen aan mijtenpoep te danken hebben. Met anti-mijthoezen en veelvuldig heet wassen (“En met ‘heet’ bedoel ik 60 graden,” zei een onderzoeker, “anders heb je vooral schone mijten”) kun je het aantal beestjes in je bed flink terugdringen. Helaas zijn huismijten niet het enige knabbelende ongedierte tussen je lakens. Waar de mijten smullen van dode huidcellen, zijn bedwantsen en vlooien uit op je bloed. Afgelopen zomer ben ik in Spanje midden in een vlooienplaag terechtgekomen. Vlooienbeten blijken erg lelijke rode bulten (met een charmant geel puskopje) op te leveren, die er maanden over doen om geheel weg te trekken. Ondanks dat ik al onze reistassen grondig heb uitgeboend en besproeid met alle mogelijke soorten insecticide – die je in Spanje nog gewoon in iedere supermarkt kunt kopen – heb ik tóch vlooien mee naar huis weten te nemen.
En dus moest er een plaagdierenbestrijder komen die ons hele huis heeft behandeld, en me gelukkig wist te vertellen dat het géén bedwantsen waren. Want die schijnen nog erger te zijn – en bijkans onuitroeibaar. Bedwantsen, of wandluizen zoals ze vroeger werden genoemd, waren in het westen eigenlijk nagenoeg uitgestorven, maar de laatste jaren zijn ze met name in hotels weer hevig in opmars. Kleine bloedstipjes op je lakens en clusters van rode bultjes op met name de onderbenen zijn tekenen van bedwantsen. Aan Valentijnsdag doen deze onderkruipsels niet; ze kennen geen liefdesspel maar een ‘traumatische inseminatie’, wat betekent dat de mannetjes met geweld een gat in de vrouwtjes boren om daar vervolgens hun geslachtscellen in te lozen. Al deze festiviteiten spelen zich dus af in de Nederlandse bedden, waar wij iedere avond nietsvermoedend in proberen te slapen. Wellicht een schrale troost voor iedereen die weinig vuurwerk verwacht op 14 februari: er zijn vele bedgenoten die wel degelijk van je genieten.

© 1996-2012 Telegraaf Media Nederland | Landelijke Media B.V., Amsterdam.
Alle rechten voorbehouden.
e-mail: redactie-i@telegraaf.nl
Privacy | Disclaimer