1025092
Financieel

Nederland, een land in verval

Vorige week werd politiek Den Haag opgeschrikt door een rapportage van kredietbeoordelaar Standard&Poor’s. Van dit internationale ratingbureau kreeg Nederland een afwaardering: van AAA, naar Aa+. Na deze afwaardering behoren wij niet meer tot de exclusieve groep van landen met de hoogste internationale kredietwaardigheid.

Deze verwijdering van het erepodium is een gevoelige tik, vooral omdat wij in Brussel altijd opscheppen over onze financiële degelijkheid. Al decennia hebben opeenvolgend Nederlandse kabinetten kunnen pronken met de triple A-status. Die status heeft er toe bijgedragen dat de Nederlandse Staat tegen relatief lage rentes staatsleningen heeft kunnen financieren.

Moeten we nu gaan rekenen met extra rentekosten voor de schatkist? Nee, de kans daarop is voorlopig klein. In de eerste plaats geven de andere belangrijke kredietbeoordelaars Nederland nog steeds de hoogste rating. Daarnaast hebben ratingbureaus sterk in gezag ingeboet door hun discutabele rol bij de kredietcrisis 2008-2009. Ook speelt een rol dat de afgelopen jaren een groot aantal sterke landen, waaronder bijvoorbeeld de VS, de hoogste rating zijn kwijtgeraakt.

Er zijn wereldwijd nog maar tien landen die bij alle belangrijke kredietbeoordelaars een AAA-rating krijgen. Bovendien kijken financiële markten veelal op een andere manier naar ons land dan de ratingbureaus. Nederland heeft nog steeds een hoge kredietwaardigheid: we hebben een aanzienlijk overschot op onze betalingsbalans en een gigantisch pensioenvermogen. Na de afwaardering zagen we nauwelijks een effect op de rente voor ons land. De tienjaarsrente bleef stabiel op het zeer lage niveau van ruim 2%.

Zwakke groei en geen beste vooruitzichten

In het rapport van S&P staat te lezen dat de zwakke economisch groei en geen goede vooruitzichten de belangrijkste redenen zijn voor de afwaardering. Opgemerkt wordt dat Nederland het veel slechter doet dan de meeste andere Europese landen. De economen van dit ratingbureau verwachten dat ons land pas in 2017 een welvaartsniveau zal bereiken dat ligt op het niveau van 2008. Het bureau wijst ook op de hoge werkloosheid en bedrijven die te weinig investeren.

Maar ook op de huishoudens die te weinig besteden en gebukt gaan onder hoge (vooral hypothecaire) schulden. Een positief punt zijn de relatief hoge vermogens en de pensioenpotten. Volgens S&P is de op zich zelf sterke export niet in staat de economie van Nederland snel weer vlot te trekken. Daarvoor moeten de consumentenbestedingen toenemen en bedrijven meer gaan investeren. Volgens dit ratingbureau gaat het hier om hardnekkige problemen en is er nog geen echte oplossing in zicht. Deze analyse, waar weinig tegen in te brengen valt, is de oorzaak dat Nederland bij S&P de hoogste kredietstatus verliest.

Geen reden voor luchthartigheid

Hoewel politiek Den Haag nogal luchthartig op de afwaardering heeft gereageerd zijn er steeds meer economen die in deze afwaardering het zoveelste signaal zien dat Rutte 2 met zijn opeenvolgende bezuinigingspakketten op het verkeerde spoor zit. Premier Rutte denkt daar anders over. Merkwaardig genoeg zag hij de afwaardering juist als een ‘onderstreping’ dat het kabinet door moet gaan op de ingeslagen weg.

Deze redenering gaat onze pet te boven. Op zich, zo merkten wij al op, is deze lagere rating geen ramp. Maar het is wel het zoveelste signaal dat ons land op steeds meer belangrijke internationale ranglijsten aan het zakken is en dat heeft zeker op termijn negatieve gevolgen voor onze economie en werkgelegenheid. In het verleden is Nederland er in geslaagd door een adequaat economisch en financieel beleid op veel van deze ranglijsten een plaats in de kopgroep te realiseren.

Nu worden we op een toenemend aantal van deze lijsten geconfronteerd met lagere posities. Zo zakten ons land dit jaar van de vijfde naar de achtste plaats op de gezaghebbende concurrentieladder van World Economic Forum. Ook op het terrein van innovaties en het (fiscale) vestigingsklimaat verliest ons land terrein. Deze week werd ook bekend dat ons land is gedaald op de internationale onderwijsranglijst (PISA onderzoek). Met ons wiskunde-onderwijs stijgen we weliswaar op deze lijst, maar met een lagere score dan de vorige keer. Onderzoek wijst uit dat de motor van onze economie, onze export, dringend aan vernieuwing toe is om ook in de toekomst met nieuwe producten en diensten een sterke positie op de wereldmarkt te kunnen behouden.

Internationale (economische) ranglijsten zijn vooral van belang om zichtbaar te maken hoe landen op de verschillende terreinen ten opzichte van elkaar presteren. Daarnaast geven ze inzicht in de zwakke en sterke punten van landen. Wie deze lijstjes op een rijtje zet, zal zien dat de kopgroeplanden ook qua economische prestaties en welvaart in de top staan. Voor een goed inzicht in onze huidige internationale (economische) positie en de ontwikkelingen die daaraan vooraf zijn gegaan, zou het goed zijn als Rutte 2 een samenvattende ranglijst zou laten opstellen over de afgelopen dertig jaar. Daar kan politiek Den Haag vast zijn voordeel mee doen.