1088928
Financieel

Votron 5 jaar later

Eén keer voelde ik een glimlach opkomen bij lezing van het interview met Jean-Paul Votron in de Belgische krant De Tijd dit weekend. De voormalige Fortis-topman, die vijf jaar geleden in de aanloop naar de ondergang van de bankverzekeraar werd ontslagen, schetst zijn leven direct na zijn val.

„Ik heb snel een kantoor gehuurd in het centrum van Brussel. Om me niet onnodig te voelen. Ik wilde niet van het ene extreme in het andere vallen en mijn vrouw bij wijze van spreken iedere morgen vragen wat ze nodig had in de Delhaize. Maar dat is niet zo goed uitgedraaid: ik kwam in dat kantoor aan en vroeg me af wat ik de rest van de dag zou doen, gaf enkele telefoontjes. Dat was niet ideaal.”

Het is een ontluisterend, maar eerlijk gezegd ook enigszins tragikomisch beeld van de topman terug op aarde. Wel nog met de parafernalia van de macht: het kantoor in het centrum. Je ziet de lambrisering, het eikenhouten bureau en het stijlvolle zitje in de hoek voor je. Daar zit de voormalige olympiër, te wachten op wat komen gaat. Ah! Telefoon! Mm, verkeerd verbonden. Pomtiedomtiedom, zal ik het kruiswoordraadsel in de krant maar eens gaan oplossen?

Iedere bestuursvoorzitter doet er goed aan deze alinea boven zijn scheerspiegel te hangen, zodat hij iedere dag wordt herinnerd aan zijn toekomst als ambteloos, chauffeurloos, statusloos burger. Heden Votron, morgen ik…

Uit de rest van het interview rijst het beeld op van een verongelijkte, bittere man, zonder al te veel talent voor zelfreflectie. Hoewel de Nederlandse Ondernemingskamer inmiddels het oordeel ’wanbeleid’ uitsprak over het handelen van Votron en zijn collega’s in de anderhalf jaar voor de ondergang van Fortis en de Belgische beurswaakhond FSMA hem een boete oplegde wegens misleidende communicatie, houdt hij vol: „Niemand heeft ooit aangetoond dat ik een fout gemaakt heb.”

Dat is niet waar. De door de Ondernemingskamer benoemde deskundigen hebben in hun bijna 600 pagina’s tellende rapport een lijst aan fouten aangedragen, inclusief meerdere voorbeelden van beleggersmisleiding – bijvoorbeeld in het prospectus waarmee Fortis in 2007 haar deel van de overname van ABN Amro financierde. „Ja, maar”, zegt Votron, „dat was een rapport à charge (ten nadele van de beschuldigde, JMS). De rechten van de verdediging zijn daar niet gerespecteerd. Dat was een procedure à charge.” Votron beklaagt zich erover dat hem ontlastend bewijs niet is meegenomen door onderzoekers.

Tja. De wanbeleidprocedure kent twee fases waarin bestuurders van zich kunnen laten horen. In de eerste fase wordt de vraag behandeld of een onderzoek überhaupt gerechtvaardigd is: is er reden om te twijfelen aan een juist beleid? In de tweede fase, na de publicatie van het onderzoeksrapport, bepaalt de Ondernemingskamer of de bekende feiten inderdaad wanbeleid opleveren. Er zitten dus twee sloten op de deur vòòr iemand met de pek en veren van wanbeleid kan worden besmeurd. Genoeg ruimte om de omissies van de onderzoekers aan de kaak te stellen dus. Maar dan moet je wel op komen dagen. Dat heeft Votron in beide fases niet gedaan. Zijn kritiek achteraf is daarmee ongeloofwaardig, gericht aan het verkeerde adres en eenvoudigweg te laat.

Jan Maarten Slagter is directeur van de VEB