1168229
Financieel

Worsteling textielsector na inferno Bangladesh

Westerse kledingbedrijven lagen de afgelopen weken flink onder vuur, na de brand in een Bengalese fabriek die het leven kostte aan meer dan honderd werknemers. Tussen de puinhopen lagen labels en documenten van gerenommeerde merken als Walmart en Carrefour, maar ook van het Nederlandse C&A.  

De kledingexport van Bangladesh groeide de laatste jaren als kool en maakt nu met $19 miljard zo’n 80% van de totale export uit. Maar het vreselijke inferno bewijst dat die groei zijn prijs kan hebben.

Het familiebedrijf C&A is lang niet de enige afnemer uit ons land die banden heeft met de Bengalese kledingindustrie. En stuk voor stuk hebben ze allemaal met dezelfde problematiek te maken. Alle merken die hun kleren daar laten maken, worstelen met de vraag hoe ze redelijke arbeidsomstandigheden voor de vele miljoenen werknemers kunnen waarborgen.

Bangladesh is inmiddels na China de grootste kledingexporteur ter wereld.

Meestal ontgaat die worsteling de meeste westerse consumenten, die de winkels afstruinen op zoek naar koopjes. Maar met de afschuwelijke brand bij Tazreen Fashion is dat veranderd en staat het onderwerp boven aan de agenda van menig topman.

De oorzaak van de brand wordt nog altijd onderzocht. Daarbij wordt ook gekeken naar meldingen dat werknemers niet weg konden omdat managers deuren op slot hadden gedaan uit angst dat spullen gestolen zouden worden.

Onderzoek van deze krant leert dat naast C&A, dat zaken doet met 250 fabrieken in Bangladesh, ook tal van andere Nederlandse merken hun jassen, broeken, T-shirts en schoenen in meer of mindere mate uit Bangladesh halen. Het gaat onder meer om Hema, Zeeman, Scapino, Coolcat, MS Mode, America Today, V&D en WE. Het merendeel heeft ter plekke een eigen kantoor in of rond hoofdstad Dhaka. Zij houden zo direct contact met de fabrieken die de spullen leveren.

Belangrijkste reden voor Nederlandse bedrijven om in het Zuid-Aziatische land te zitten, zijn de fiscaal vriendelijke afspraken met de EU. „Op de meeste producten uit Bangladesh betaal je geen 14% invoerrechten”, zegt Roland Kahn van CoolCat. „Dat maakt de kleding in het land immens goedkoper dan in China of India. Bangladesh heeft een gunstige status. Ik juich het toe, want handel drijven met elkaar is de beste manier van ontwikkelingshulp.”

De Nederlandse merken willen maar weinig kwijt over het aantal fabrieken waarmee ze zakendoen. „Omdat wij alles onder eigen merk verkopen, doen wij nooit uitspraken over onze leveranciers”, heet het bijvoorbeeld bij Hema. Het zijn er in ieder geval genoeg om afgelopen maandag en dinsdag een zaal af te huren in het zeer luxueuze vijfsterrenhotel The Westin Dhaka. Volgens Hema had de bijeenkomst niets te maken met de brand, maar staat deze een keer in de twee jaar sowieso op het program.

Over hun beleid ten aanzien van zakendoen in Bangladesh, waar het minimumloon voor een kleermaker $37 per maand is, wil men wél wat kwijt. Volgens een woordvoerder van Macintosh, het moederbedrijf van het 400 winkels tellende Scapino, moet iedere leverancier aan strenge voorwaarden voldoen, voordat het Nederlandse bedrijf er inkoopt. „Bij de productie van textiel en vooral schoenen letten we op veilig en verantwoord gebruik van chemicaliën, lijm en verf. Dit jaar hebben we een lijst samengesteld van schadelijke stoffen die onze leveranciers niet meer mogen gebruiken.”

In de gedragscode die leveranciers bij Macintosh moeten ondertekenen, staat onder andere dat kinderarbeid niet mag, dat er marktconforme salarissen moeten worden uitbetaald en dat er gezonde en veilige omstandigheden moeten zijn voor het personeel.

Kahn, oprichter van CoolCat en eigenaar van MS Mode en America Today, laat weten dat eigen inspecteurs grondig onderzoek doen bij elke fabriek. „We willen inzage in de werkomstandigheden. Zo is het verplicht om mensen een warme maaltijd te geven. Boekenonderzoek behoort ook tot de werkzaamheden en we letten heel goed op welke andere internationale ketens bij de fabriek bestellen. Bij die controle zijn we niet heiliger dan de paus, maar alle wetten moeten worden nageleefd.”

In diplomatieke kringen in Dhaka zegt men dat de crux niet zozeer zit het opstellen van regels, maar de naleving ervan. „Als een westers bedrijf met zijn controleurs komt kijken in een fabriek, dan ziet alles er vaak tiptop uit. Maar zodra het vertrekt, worden dozen die de nooduitgang normaal gesproken blokkeren soms weer teruggezet. Of blijft een brandoefening uit, omdat de eigenaar weet dat zijn voorraad deels naar buiten wordt gesmokkeld en verdwijnt.”

Daarnaast wijst men erop dat een fabriek waarmee een Nederlands kledingmerk zakendoet zijn zaakjes weliswaar op orde kan hebben. „Maar hoe duurzaam is de leverancier waar de fabriek zijn knopen en ritsen bestelt? Meestal hebben westerse bedrijven die zelf een kantoor hebben in Bangladesh hier beter zicht op dan degene die gebruikmaken van lokale tussenpersonen. Maar uiteindelijk kun je niet overal controle over hebben.”

Bangladesh is nog het enige land in Azië waaraan Nederland een ontwikkelingshulp geeft. Een van de nieuwe projecten richt zich op waterzuivering in de kledingindustrie. Veel consumenten beseffen niet dat watermanagement een groot probleem vormt. Fabrieken lozen het met verfresten vervuilde water in de rivier. Terwijl dat water weer gebruikt wordt door mensen die een stukje verderop wonen.

Het doel is te zorgen voor schoner drinkwater, waarbij de fabrieken hun verantwoordelijkheid nemen door water te zuiveren van chemicaliën en te hergebruiken. Er is aangetoond dat dit al vrij snel flinke besparingen voor hen oplevert, bijvoorbeeld op energiekosten. De Nederlandse overheid doet de financiering niet alleen. Ook grote Europese merken als C&A, G-star, H&M en Tesco betalen mee.