Nieuws/Financieel
1204785
Financieel

Vanuit crisis naar een sterkere en duurzamere economie

Tering naar de nering zetten

Tijdens de verkiezingscampagnes hebben alle politieke partijen gewezen op de noodzaak van gezonde overheidsfinanciën. De overheid zal de tering naar de nering moeten zetten. Daarom zijn er maatregelen nodig waarmee het begrotingstekort en de staatsschuld worden verminderd. VVD en PvdA die samen aan het onderhandelen zijn over een regeerakkoord streven volgens hun verkiezingsprogramma’s naar een begrotingsevenwicht in 2017. Om in dat jaar een structureel evenwicht te realiseren, is een pakket aan ombuigingsmaatregelen nodig van ongeveer 16 miljard euro.

Bij deze berekening is uit gegaan van de veronderstelling dat de economische groei in Nederland in de periode 2013-2017 gemiddeld 1,5 procent zal zijn. Maar de kans dat dit percentage lager zal liggen, is groot. De meest recente ramingen van internationale denktanks laten zien dat de groei van de wereldeconomie zal vertragen en dat de vooruitzichten voor met name Europa niet florissant zijn.

Als exportland krijgt Nederland daar last van; deze vertraging remt onze economische groei. Voor de opstellers van het regeerakkoord betekent dit een extra probleem. Een ombuigingspakket bestaande uit overheidsbezuinigingen en belastingverhogingen van in totaal 16 miljard euro zal bij een lagere groei dan 1,5 procent onvoldoende zijn om in 2017 een begrotingsevenwicht te realiseren. Voor evenwicht is het in dan prudent om in dat geval een groter ombuigingsbedrag van, zeg, rond de 20 miljard euro te realiseren.

Deze vervelende boodschap zal ongetwijfeld de onderhandelingstafel al hebben bereikt, waarbij tegelijk de vraag rijst, wat doen we daarmee. Er zijn ten minste twee goede reden om voorlopig toch maar uit te gaan van een maatregelenpakket van 16 miljard. In de eerste plaats vanwege de steeds wisselende groeiramingen, maar vooral om te voorkomen dat onze economie door extra ombuigingen nog verder in het slop raakt. Wel zou het nieuwe kabinet al bij de start rekening moeten houden met een tegenvallende economische groei. Daarom is het nodig dat VVD en PvdA in hun regeerakkoord afspraken vastleggen over de wijze waarop tegenvallers worden opgevangen. Deze afspraak voorkomt moeizame onderhandelingen binnen het nieuwe kabinet.

Ook aanpak zwakke punten

Gezien de weinig rooskleurige economische vooruitzichten is het van groot belang dat een nieuw kabinet niet alleen de nadruk legt op ombuigingen maar tegelijk de somberheid in dit land probeert weg te nemen; het akkoord moet leiden tot een nieuw elan en optimisme. Daarom moet met hervormingen ook de groei worden aangejaagd. Het gaat dan niet alleen om nieuwe groei van economische sectoren die duurzaam zijn.

De slechte prestaties van onze economie worden vooral toegeschreven aan te lage binnenlandse bestedingen. Consumenten kampen met koopkrachtverlies. De overheid geeft minder uit en het en het bedrijfsleven kan moeilijk aan kredieten komen voor bedrijfsinvesteringen. Daarnaast hebben we als exportland last van een tegenvallende wereldhandel. Maar er is helaas meer aan de hand. De economische krimp in Nederland en de verwachte lage groei zijn ook een vorm van ontmaskering van de zwakke punten van onze economie die steeds zichtbaarder worden. Mede door de vele kabinetswisselingen ( vijf in tien jaar) zijn noodzakelijke hervormingen achterwege gebleven. De belangrijkste zwakke punten vatten we hier kort samen.

Het urgentste actuele binnenlandse knelpunt is de slecht functionerende woning- , bouw- en huurmarkt die vrijwel tot stilstand is gekomen. Met een integraal plan op het terrein van huren en kopen kan deze markt uit het slop worden gehaald: het plan Wonen 4.0 en het deze week gepresenteerde belastingvoorstel van de commissie Van Dijkhuizen bieden mogelijke oplossingen.

De economische groei in Nederland wordt ook afgeremd door de relatief lage arbeidsproductiviteit, de oplopende kosten van de vergrijzing en knelpunten op de arbeidsmarkt. Deze zwakke punten verdienen extra aandacht. Daarnaast zijn er de afgelopen jaren, mede door buitenlandse overnames, verschillende hoofdkantoren van middelgrote internationale ondernemingen uit Nederland verdwenen. Uit onderzoek van KPMG (www.kpmg.com) blijkt dat de kans groot is dat we de komende jaren nog meer hoofdkantoren zullen verliezen. Dat betekent niet alleen een verzwakking van de structuur van onze economie, maar tevens een verlies aan hoogwaardige banen. Voor het nieuwe kabinet ligt hier de opgave om te bezien hoe met (fiscaal) beleid een bijdrage geleverd kan worden aan het behoud van deze belangrijke vestigingen.

Volgens de OECD wordt de groei van de Nederlandse economie ook belemmerd doordat Nederlandse werknemers te weinig uren maken. De gemiddelde Nederlandse werknemer werkt het minste aantal uren per jaar in de Europese Unie. Dit komt vooral doordat in ons land veel werknemers in deeltijd werken. Nederlandse vrouwen zijn wereldkampioen deeltijdwerken, terwijl ze vaak tot het best opgeleide deel van de beroepsbevolking behoren. Dit is een enorme kapitaal vernietiging.

Daarnaast signaleert de OECD dat ouder werknemers in Nederland, boven de vijftig jaar, in vergelijking met hun collega’s in andere Europese landen te veel verdienen en veelal honkvast zijn; dit leidt tot een lage beweeglijkheid op onze arbeidsmarkt. In vergelijking met hun productiviteit krijgen ze volgens de OECD ook te veel betaald. De uitdaging is dus mensen, vooral ouderen en vrouwen, te stimuleren meer uren te werken en later met pensioen te gaan. Voor ons exporterende bedrijfsleven hebben de economen van de OECD ook een waarschuwing. De export is te veel gericht op traditionele, stagnerende markten in Europa en Noord-Amerika. Ons bedrijfsleven moet proberen de export op te voeren naar de opkomende economieën, zoals Brazilië, Rusland, India en China.

Internationaal moet Nederland zich tevens zorgen maken over het onderwijsniveau en het research en innovatieklimaat. In vergelijking met landen die koplopers op deze terreinen zijn geven wij te weinig uit. Weliswaar is ons land dit jaar van plaats zeven naar de vijfde plaats gestegen van de meest concurrerende economieën van de wereld, maar die stijging op de internationale ranglijst van het World Economic Forum is vooral te danken aan beleid en investeringen in het afgelopen decennium die nu pas hun vruchten af werpen.

Onze internationale concurrenten op de wereldmarkt zitten niet stil en zetten vooral in op innovaties. Nederland raakt achterop. Het is zoals de Rode Koningin in Alice in Wonderland: als je niet blijft rennen, loop je steeds meer achter. Wij moeten dus meer innoveren, want innovaties zijn de motor van de economie. De R&D-uitgaven als percentage van het BBP ligt in Nederland met 1,84% onder het EU-gemiddelde en ruim onder de Europese doelstelling van 3%, en heeft een dalende tendens.

Kijken we naar de internationale ranglijsten op het terrein van het milieu en klimaatbeleid dan valt op dat Nederland is weggezakt tot in de achterhoede. De oorzaak is vooral het gebrek aan een consistent beleid op dit terrein. Daardoor zijn veel burgers afgehaakt en hebben groene investeerders Nederland de rug toegekeerd. De kans is groot dat ons land in 2020 niet zal voldoen aan de Europese doelstelling van 14% duurzame energie. Met het huidige beleid zal het aandeel hernieuwbare energie in Nederland stijgen van circa 5% in 2012 tot 7 – 10% in 2020. Deze cijfers onderstrepen de noodzaak om in het regeerakkoord met een groen investeringsplan te komen waarmee de 14% gerealiseerd kan worden; met een dergelijk plan kan tevens de economie worden gestimuleerd.

Voor het wegwerken van een aantal van deze zwakke punten heeft het nieuwe kabinet de organisaties van werkgevers en werknemers nodig. Immers, veel van wat nodig heeft een groter collectief dan individueel belang. Daarom herhalen we ons pleidooi voor een breed polderakkoord ten behoeve van een sterke, op de toekomst gerichte economie.

Rick van der Ploeg is hoogleraar economie in Oxford en hoogleraar politieke economie aan de UvA. Van 1998 tot 2002 was hij PVDA-staatssecretaris in het kabinet-kok II. Van der Ploeg studeerde economie aan de Universiteit van Sussex en promoveerde in 1981 bij de Universiteit van Cambridge. Hij heeft circa 100 publicaties op zijn naam staan met onder meer de titels ‘Is de econoom een vijand van het volk?’ en ‘een schaap in wolfskleren.’

Willem Vermeend is internetondernemer en bijzonder hoogleraar Economics and E-Business aan de Maastricht School of Management ( MSM). Daarnaast vervult hij diverse bestuursfuncties en commissariaten bij nationale en internationale bedrijven, waaronder Randstad. Vermeend had ook een actieve rol in de politiek. Vanaf 1994 tot 2002 was Vermeend PVDA-staatssecretaris van Financiën en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de kabinetten Kok I en II. Hij schreef diverse boeken, zoals de Kredietcrisis, de Wij-Economie en de Wereld van het Internet.