Nieuws/Financieel
1298756
Financieel

Wie schiet voor?

De invoering van de transitievergoeding heeft de afgelopen tijd tot veel commotie geleid. Deze vergoeding is onder andere bedoeld om een werknemer te helpen op een andere plaats in het arbeidsproces zijn of haar carrière voort te zetten.

Vraagstukken die al snel boven kwamen drijven, waren onder andere het toekennen van een vergoeding voor een (ex-)medewerker die in de IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) was terechtgekomen. Dit betreft medewerkers die dus eigenlijk geen kans meer hadden in het arbeidsproces terug te keren. Moest deze werknemer een vergoeding krijgen om naar ander werk te worden geholpen?

Een ander vraagstuk betrof het feit dat kleine werkgevers met hoge vergoedingen werden geconfronteerd als een langdurige arbeidsongeschikte werknemer zou worden ontslagen. Gevolg was dat allerlei moeilijke constructies werden bedacht om iemand maar niet te hoeven ontslaan.

Plannen van tafel

Voor kleine werkgevers kan een forse transitievergoeding in de periode van crisis immers net het verschil uitmaken tussen een faillissement of overleven. In dit kader zijn plannen gemaakt om de transitievergoeding voor kleine werkgevers niet ten laste van hen te brengen, maar te betalen uit een pot die door alle werkgevers werd gevuld. In de praktijk zou dit betekenen dat de grote werkgevers voor het grootste deel ook voor de transitievergoedingen van kleine werkgevers zouden gaan betalen.

Ook dit plan heeft het niet gehaald en werd in april 2016 vervangen door een voorstel om vanaf 1 januari 2018 de transitievergoedingen voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers van alle werkgevers door middel van een compensatieregeling door het UWV te laten betalen. Werknemers die langdurig ziek zijn, behouden gewoon hun recht op de vergoeding, maar de werkgever wordt hiervoor gecompenseerd uit het Algemeen Werkloosheidfonds (AWF).

Om dit te kunnen bekostigen wordt in het voorstel wel de uniforme premie voor het fonds verhoogd. Het mooie van de regeling is dat deze sinds 1 juli 2015 op alle transitievergoedingen voor langdurig zieke werknemers van toepassing is. Dit betekent dat veel werkgevers achteraf nog een fors bedrag gaan terugkrijgen en dat de premieverhoging pas daarna volgt.

Addertje

Het voorstel komt voor een groot deel tegemoet aan de wensen van de werkgevers. Er zit (zoals wel vaker) echter één adder onder het gras: de werkgever moet eerst de transitievergoeding voorfinancieren en ontvangt pas later een compensatie. In de praktijk zijn inmiddels werkgevers failliet gegaan. Krijgen zij als niet meer bestaande werkgever alsnog de compensatie?

Vandaag is bekend geworden dat de overheid de invoering van het wetsvoorstel wil uitstellen tot 1 januari 2019. Dit vanwege de grote impact die de regeling heeft op de (automatiserings)processen bij het UWV. Volgens de minister zijn de gevolgen van de late invoering echter beperkt, aldus minister Asscher in zijn brief aan de Tweede Kamer. Maar wat is beperkt? Voor de heel grote bedrijven in Nederland kan een voorschot gedurende 3,5 jaar oplopen tot bijzonder grote bedragen. Voor een kleine werkgever kan het gedurende 3,5 jaar moeten wachten op de compensatie nog altijd het verschil betekenen tussen wel of niet overleven! Ik ben benieuwd of bij behandeling in de Tweede Kamer hier nog op wordt teruggekomen.

In het wetsvoorstel biedt de minister overigens ook aan cao-partijen meer ruimte om af te wijken van de transitievergoeding die verschuldigd is bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen. Hierbij gaat het dus niet om de specifieke groep ‘langdurig zieke werknemers’. De cao-voorziening hoeft volgens het voorstel niet meer tenminste ‘gelijkwaardig’ te zijn aan de reguliere transitievergoeding. Wel moet sprake zijn van’ een redelijke financiële vergoeding of een voorziening gericht op het beperken van werkloosheid, of een combinatie van beide.’

Het is de bedoeling dat deze aanpassing voor ontslag om bedrijfseconomische redeneren wel per 1-1-2018 wordt ingevoerd…