1312843
Financieel

Groter risico overname onderneming door uitspraak rechter

Door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 november jl. met betrekking tot overname van ondernemingen is voor zowel de koper als verkoper onduidelijkheid ontstaan.

Voorop gesteld: het onderwerp verzuim en arbeidsongeschiktheid is bij overnames al een onderbelicht en een onderschat financieel risico. Daarbij kon je tot voor kort aan de hand van een schema deze financiële risico’s redelijk duidelijk aan een (ver)koper uitleggen. Sinds de uitspraak van de CRvB is dat veranderd.

Er zijn diverse soorten van overnames zoals overnames van aandelen, overnames van activiteiten, overname van een eigenrisicodrager door een publiek verzekerde onderneming, overname van een onderneming die geen eigenrisicodrager is, etc., etc. Het gaat te ver voor deze tekst om die allemaal te behandelen en ik beperk mij hier tot de discussie voor wat betreft de toerekening van Ziektewet- en/of WGA-uitkeringslasten aan de overnemende of verkopende partij.

Heel kort (en uiteraard te beperkt) samengevat was het tot voor kort zo dat een kopende partij die een deel van een onderneming met één loonheffingennummer overnam ook een deel van de toe te rekenen uitkeringslast van de verkopende partij overnam. Dat lijkt ook logisch. Stel er is een keten van vestigingen die allen onder hetzelfde loonheffingennummer van de eigenaar vallen. Als een koper dan één van de vestigingen overneemt, dan krijgt hij automatisch een deel van de uitkeringslasten van alle vestigingen samen toebedeeld. De omvang van dit deel is gelijk aan het percentage van loonsom van de betreffende vestiging ten opzichte van de loonsom van de gezamenlijke vestigingen. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een koper een vestiging zonder uitkeringsverleden in Delfzijl overneemt, hij dan een deel van de uitkeringslasten van een vestiging van dezelfde keten in Maastricht toebedeeld krijgt en dat kan weer de gedifferentieerde premie voor de Werkhervattingskas beïnvloeden. Immers, de verkopende partij raakt een deel van de loonsom kwijt, maar ook een evenredig deel van de uitkeringslasten die de gedifferentieerde premie bepalen. Heel duidelijk en begrijpelijk.

Door de uitspraak van de CRvB wijzigt deze aanpak echter. In de betreffende zaak was de vraag aan de orde of er sprake is van overgang van een gehele onderneming of van een deel van de overkoepelende onderneming. Ook hier ging het om de overname van een vestiging van een keten met één loonheffingennummer. Het UWV heeft de kopende partij ook een evenredig deel van de uitkeringslast toebedeeld, maar de kopende partij vond dat niet een deel van de keten was overgenomen, maar een eigen onderneming. De CRvB oordeelde dat er inderdaad sprake was van overname van een eigen zelfstandige onderneming omdat de bedrijfsactiviteiten van de vestiging economisch voldoende bepaalbaar en identificeerbaar waren. Het feit dat de diverse vestiging onder één loonheffingennummer vallen was niet van doorslaggevend belang, maar wel of de vestiging een maatschappelijke bron van arbeidsverhoudingen is. Allemaal moeilijke woorden, maar concreet komt het er op neer dat vanaf nu niet alleen meer kan worden gekeken naar het deel van de loonsom dat verdwijnt, maar dat nu ook de feitelijke situatie wordt meegenomen.

Ik kan mij voorstellen dat de vraag nu boven komt, wat nu het belang van deze uitspraak is. In de eerste plaats dat het UWV niet meer eenvoudig de toerekening bij overnames kan vaststellen en dat dit de trajecten fors kan vertragen, zeker als één van de partijen het niet met de argumentatie van het UWV eens zal zijn. Hierdoor kunnen ook de kosten van overnames toenemen door rechtszaken, etc. Het gevolg van de uitspraak kan zijn dat een verkoper wel een deel van de loonsom van zijn keten verkoopt, maar niet een deel van de uitkeringslasten. Hierdoor stijgt onbedoeld plots zijn gedifferentieerd premiepercentage voor de WhK. Anderzijds kan dit voor de koper heel lucratief zijn, want hij koopt een loonsom zonder dat er uitkeringslasten tegenover staan, waardoor het gedifferentieerd premiepercentage onverwacht kan dalen. De situatie kan natuurlijk ook precies andersom zijn.

Hoe dan ook, de financiële onzekerheid rondom een dergelijk soort overname neemt toe, de overnames kunnen meer tijd en extra kosten in beslag nemen en dat is economisch geen goede zaak. Mijn conclusie is dan ook dat een verstandig ondernemer aandacht moet geven aan dit onbekende en onbeminde onderwerp en het hoog op de agenda zet bij de onderhandelingen.

Ten slotte zullen de kopende en verkopende partij zich de vraag moeten stellen wie voor deze werkgevers een inschatting kan maken en de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen in kaart kan brengen? Het betreft immers een zeer specifiek en gecompliceerd deel van de regelgeving. Misschien is het voor ondernemend Nederland zo gek nog niet als de overheid de wet- en regelgeving voor wat betreft dit onderwerp zo aanpast, dat het UWV de oorspronkelijke werkwijze kan continueren. Die methodiek blijkt voor iedereen al moeilijk genoeg…