Nieuws/Financieel

Column

Dure tech-reuzen?

Apple, Alphabet, Microsoft, Amazon en Facebook zijn momenteel, gemeten naar beurskapitalisatie, de vijf grootste ondernemingen ter wereld. Hun gezamenlijke marktkapitalisatie bedraagt 2.800 miljard dollar. Die beurswaarde komt er aandeel overeen met het BNP van een middelgroot Europees land.

Beleggers lijken dit jaar in het bijzonder een sterke voorkeur voor bovenstaande vijf te hebben getuige de rendementen. We kunnen ook iets verder teruggaan in de tijd en kijken naar het koersresultaat van Alphabet, het voormalige Google, sinds de beursintroductie in 2004.

Een belegger die het aandeel toen kocht heeft inmiddels ruim 1.700 procent koerswinst gerealiseerd. Dat is gemiddeld ruim 25 procent per jaar! En dan te bedenken dat Google bij zijn beursgang door analisten als veel te duur werd weggezet... Tja, wat is duur?

De Big Five

Het is een veelgehoorde opmerking de laatste tijd: de Amerikaanse beurs is duur. In de eerste plaats wordt een index als de S&P 500 door slechts een paar aandelen van grote multinationals gedomineerd. Wanneer deze betreffende bedrijven duur zijn trekken ze door hun gewicht het gemiddelde fors op.

Maar beleggers die verder kijken dan hun neus lang is komen al snel tot de ontdekking dat er onder de oppervlakte ook veel minder dure aandelen te koop zijn. De Amerikaanse beurs is groter dan alleen maar de bovengenoemde Big Five.

Winsten gaan harder dan de koersen

Maar zijn de Big Five echt zo duur? De koersen van de bovengenoemde vijf techgiganten zijn weliswaar fors gestegen, maar hun winsten nog meer.

De koerswinstverhoudingen van Alphabet, Amazon en Facebook zakken zelfs al tijden structureel. Ze worden relatief juist steeds goedkoper. Alleen Microsoft springt eruit met een verdubbeling van de koerswinstverhouding in de laatste jaren. Dat laatste heeft alles te maken met de gang van het bedrijf naar de Cloud.

Maar in alle gevallen worden de koersstijgingen dus gerechtvaardigd door een forse toename van de winstgevendheid. In tegenstelling tot in de euforische jaren 90 is hier geen sprake van een luchtbel.

Zo steeg de belangrijkste graadmeter van de Amerikaanse economie, de S&P 500, in het eerste kwartaal met 5,5 procent. De winsten van de 500 bedrijven stegen ten opzichte van een jaar eerder met 12,5 procent. Duur? Je zou ook kunnen stellen dat de aandelen juist achterbleven bij de winsten.

PEG-ratio

Bij bedrijven die bovengemiddeld groeien wordt ook wel de PEG-ratio als waarderingsmaatstaf gebruikt in plaats van een ‘gewone’ koerswinstverhouding.

Daarbij wordt de koerswinstverhouding afgezet tegen de structurele winstgroei. Zo kent Facebook bijvoorbeeld een PEG-ratio van minder dan één. Het bedrijf heeft weliswaar een forse koerswinstverhouding, maar een nog hogere winstgroei.

Ter vergelijking, bedrijven die vaak als goedkoper worden beoordeeld als bijvoorbeeld Unilever en DSM, zijn op basis van deze ratio twee keer zo duur als Facebook. Blijven zitten zolang de groei voortduurt is en blijft het beste adagium.

Dat is niet altijd even makkelijk, zeker wanneer de groei een (tijdelijke) dip vertoont. Want hoe weet je of het tijdelijk is?

De dollar

En de dollar dan? Nou, dat zit zo. Een Amerikaans bedrijf dat het grootste deel van zijn omzet uit de rest van de wereld behaalt heeft juist baat bij een zwakke dollar.

De producten worden goedkoper in het buitenland en teruggerekend naar dollars stijgt de winst. Bij een sterke dollar werkt dit de andere kant op maar wordt door de stijgende dollar dan weer gecompenseerd in de koers.

De belegger verdient teruggerekend naar euro’s hetzelfde. Bij een belegging in buitenlandse (Amerikaanse) multinationals mag een valuta nooit een argument zijn. Het is lood om oud ijzer.

Monopolisten

Er is in mijn ogen geen sprake van een belegging in lucht waar het de ‘dure’ tech-reuzen aangaat. Deze logica houdt natuurlijk geen stand op het moment dat de winstgevendheid structureel afneemt. Want de verwachte koerswinstverhoudingen zijn gebaseerd op een bovengemiddelde groei.

Waar beleggers echter vaak overheen kijken is dat de Big Five op hun gebied allemaal (bijna) monopolisten zijn. Ze zijn dusdanig dominant dat er nauwelijks sprake is van serieuze concurrentie. En aan een monopolist hangt nu eenmaal een ander prijskaartje.

Meer overheid

Het grootste gevaar voor de Big Five is waarschijnlijk veel meer een overheid die van mening is dat betreffende bedrijven te groot en te machtig zijn geworden.

Een mooi voorbeeld hiervan is Microsoft dat door onze Neelie in haar tijd als eurocommissaris van mededinging een kopje kleiner is gemaakt. Het Standard Oil scenario, waarbij Standard Oil uiteindelijk werd opgeknipt in de Seven Sisters, vormt dan ook het belangrijkste risico voor de Big Five.