1653271
Financieel

Vermeend en Van der Ploeg

Column: Middeninkomens zijn de verliezers

Willem Vermeend en Rick van der Ploeg.

Willem Vermeend en Rick van der Ploeg.

Deze week presenteerde de Europese Commissie de economische vooruitzichten van de EU voor 2018 en 2019. Dit jaar wordt de gemiddelde groei in de EU-landen geraamd op 2,3% en voor 2019 wordt uitgegaan van 2%. De beste prestaties in de afgelopen tien jaar. Dit staat in schril contrast met voorspellingen van economen en ander deskundigen die een aantal jaren terug nog de ondergang van de EU hebben aangekondigd.

Willem Vermeend en Rick van der Ploeg.

Willem Vermeend en Rick van der Ploeg.

Uit de groeicijfers blijkt dat Nederland het dit jaar met 2,9% veel beter doet dan het Europese gemiddelde en in de eurozone tot de groeikoplopers behoort. Groot-Brittannië is met de laagste groei, rond de 1%, hekkensluiter van de EU en dat heeft veel te maken met het Brexit-besluit.

Opvallend zijn ook de prestaties van Spanje en Griekenland (rond de 2%) die tot voor kort ook door veel experts werden afgeschreven. Voor de toekomst waarschuwt de Europese Commissie voor de effecten van mogelijke rentestijgingen en dus lagere beurskoersen en voor Brexit die de EU-groei kunnen afremmen. Vooral dat laatste kan negatieve gevolgen hebben voor de Nederlandse economie.

Verdeling van groei

In veel landen neemt de aandacht toe voor een evenwichtige verdeling van de vruchten van de economische groei. Voor deze verdeling wordt vaak het nationaal inkomen tot uitgangspunt genomen. Daarbij wordt bezien hoe dat verdeeld is over het bedrijfsleven, de overheid en de huishoudens en of deze aandelen in de tijd veranderen. Ook in ons land wordt deze methode van het kijken naar de functionele verdeling van het nationale inkomen toegepast.

Volgens verschillende onderzoeken, onder meer recent door Rabo Research, hebben in de afgelopen decennia in Nederland het bedrijfsleven en de overheid een steeds grotere aandeel gekregen ten koste van de huishoudens. Dit wordt zichtbaar als we bijvoorbeeld kijken naar de zogenoemde arbeidsinkomensquote (AIQ), het percentage van het nationaal inkomen dat naar de productiefactor arbeid (arbeidsinkomen) gaat.

In de jaren zeventig lag dat gemiddeld op circa 78 procent en nu rond 73 procent. Voor deze daling worden verschillende verklaringen gegeven. Zo is de machtspositie van de vakbonden, mede door het dalende en vergrijzende ledental, sterk af genomen. Daardoor is de invloed bij de onderhandelingen met de werkgevers over de hoogte van de cao-lonen en andere arbeidsvoorwaarden minder groot geworden.

Lager besteedbaar inkomen

Bij de afname van de AIQ spelen ook de automatisering en de opmars van flexibele arbeidscontracten een rol. De toename van het aandeel van de overheid heeft vooral te maken met hogere overheidsuitgaven, zoals voor zorguitgaven. Deze extra uitgaven hebben ook geleid tot een hogere belasting- en premiedruk op huishoudens en daardoor tot een lager netto besteedbaar inkomen.

De sterkste stijging van het aandeel in het nationaal inkomen zien we bij bedrijven. Ze zijn de winnaars en dat geldt ook voor de aandeelhouders, ook wel aangeduid als de kapitaalbezitters waaronder velen die een pensioen hebben. Bedrijven hebben de afgelopen jaren geprofiteerd van de internationale ‘belastingoorlog’ tussen landen waarbij in veel landen de winstbelasting, ook in ons land, is verlaagd.

Het ziet er naar uit dat deze trend waarbij de vruchten van economische groei steeds meer terecht komen bij het kapitaal voorlopig niet zal stoppen en dat huishoudens veel minder zullen profiteren. De daling van de AIQ zien we ook in andere westerse landen. De kans is groot dat door digitalisering en robotisering van productieprocessen er zelfs een versnelling zal optreden.

Meer risico middengroepen

Veel taken die de komende jaren worden overgenomen door slimme software programma’s en robots komen vooral voor bij functies in de middengroepen. De kans op werkloosheid bij de middenklasse neemt daardoor toe. Uit verschillende studies blijkt ook dat huishoudens met middeninkomens de afgelopen twintig jaar het minst hebben geprofileerd van de groei van onze economie. Delen van deze groep zijn er in besteedbaar inkomen zelfs op achteruit gegaan.

De middenklasse is ook de ‘verliezer’ als het gaat om het overheidsbeleid. Zo hebben huishoudens met een inkomen tussen 25.000 en 45.000 per jaar het minste profijt van overheidsvoorzieningen, zoals op het terrein van onderwijs, wonen en zorg. Daarnaast komen ze vaak ook niet in aanmerking voor subsidies en fiscale toeslagen die zijn toegesneden op lagere inkomens.

Toenemende onzekerheid

In het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (WWR) dat in 2017 verscheen met als titel “De val van de Middenklasse” wordt opgemerkt dat er bij de middengroepen sprake is van toenemende onzekerheid over de toekomst en bestaat er het gevoel dat de overheid te weinig doet voor het midden.

De WRR adviseert politiek Den Haag om meer te doen voor middengroepen door het verminderen van onzekerheid. Dat kan bijvoorbeeld door het bevorderen van vaste arbeidscontracten en een herziening van fiscale regelingen.

Kijken we naar de maatregelen in het regeerakkoord dan is de kans klein dat de middengroepen aan het einde van de rit van kabinet-Rutte III hun tevredenheid zullen uiten. Daarvoor moet het beleid worden aangescherpt.

Meer scholing

Vanwege de opmars van automatisering die deze groep hard treft, moet meer nadruk worden gelegd op voor iedereen toegankelijke en permanente om- en scholingsprogramma’s die zich richten op de snel veranderende arbeidsmarkt.

Digitalisering en het werken met nieuwe technologieen staan daarbij centraal. Daarnaast helpen maatregelen die de werkzekerheid vergroten. Zo zullen werkgevers sneller vaste arbeidscontracten aanbieden als belangrijke knelpunten worden weggenomen worden, zoals de lange doorbetaling bij ziekte, de hoge werkgeverslasten en het ingewikkelde en dure ontslagrecht.

Daarnaast kan de werkzekerheid bij flexibele contracten worden vergroot door bijvoorbeeld met vijfjaarscontracten te werken. Daarnaast moet binnen de fiscaliteit de positie van middeninkomens opnieuw bezien worden.