Financieel/Nieuws
2101327
Nieuws

Tekst concept-akkoord pensioenen

Lees hier het integrale akkoord tussen vakbonden en werkgevers over pensioen en AOW. Dit is het onderhandelingsresultaat tussen FNV en VNO-NCW dat momenteel aan de achterbannen wordt voorgelegd.

Vertrouwelijke side letter bij Afspraken sociale partners toekomst pensioenstelsel

De vertrouwelijke afspraken blijven ook na bestuurlijke instemming van partijen vertrouwelijk tot ook met SZW overeenstemming is over de hoofdlijnen van het pakket.

Indien voor het pakket geen breed draagvlak in SER-verband wordt gevonden, verliest deze route de meerwaarde en beijveren sociale partners het pakket direct me het kabinet te realiseren.

A. Een samenhangend pakket maatregelen rond AOW- en pensioenleeftijd

Zonder een akkoord op deze maatregelen met het kabinet (de minister van SZW) vervallen de overige onderdelen.

B. Introductie van een nieuw pensioencontract: opbouw met optimale collectieve risicodeling

In de tekst staat dat we inkopen tegen marktrente (met UFR). Het is echter de vraag of dit contract – vanwege het ontbreken van een harde nominale toezegging – onder het FTK dient te allen. Het is noodzakelijk dat de toepasselijke rekenregels ruimte gaan bieden voor indexatie. Daarbij moet ook gekeken worden naar de waarderingsregels van de (zachte) aanspraken. De RTS uit het FTK biedt die ruimte niet. Wellicht helpt een EIOPA UFR. Een passende oplossing moet met het kabinet worden gevonden.

C. Stringente voorwaarden aan afschaffing doorsneesystematiek

Voor werkgevers is belangrijke dat in de tekst staat dat in de compensatielast wordt opgebracht binnen de fiscale premieruimte van 2017. Maar sociale partners erkennen dat je voor een korte gerichte compensatieregeling extra fiscale ruimte nodig hebt. Juist om maatwerk ook voor verzekerde en premieregelingen mogelijk te maken. Sociale partners zullen er samen op toezien dat – wanneer gedurende het traject dit gegeven duidelijk wordt – de overheid deze ruimte dan ook zal bieden.

Indien de financieringslast over het geheel genomen zo zwaar valt dat in den brede indexatie op korte termijn in gevaar dreigt te komen, zijn ook van de overheid extra middelen nodig. Een bijdrage vanuit de overheid kan gerechtvaardigd worden door de kunstmatig lage rente, als gevolg waarvan de fondsen immers dure verplichtingen hebben en de overheid op de staatsschuld juist veel meevallers heeft gerealiseerd.

Overige:

De nieuwe financiële regelset die recht doet aan het karakter van deze nieuwe pensioenovereenkomst, moet ook een reëel zicht op indexatie mogelijk maken. Ook in de eerste jaren. Indexatie en het voorkomen van korten moeten in de overgangsfase perspectief bieden.

Vertrouwelijk

Afspraken sociale partners toekomst pensioenstelsel

Er is een pakket aan maatregelen besproken dat in zijn totaliteit evenwichtig is en waarbij onderdelen dus niet losstaand van elkaar kunnen worden gezien.

Dit pakket wordt vanwege het wenselijke draagvlak zo mogelijk in de vorm van een SER-advies uitgebracht, maar zonder afbreuk te doen aan dit pakket. Indien een SER-advies langs deze lijnen niet haalbaar lijkt, zijn deze afspraken tussen sociale partners de basis voor direct overleg met het kabinet.

Zonder een akkoord met het kabinet over het totale pakket, is er geen akkoord op onderdelen en zal dit pakket, noch onderdelen uit dit pakket, worden gepubliceerd. Noch als SER-advies noch als akkoord in de Stichting van de Arbeid of anderszins.

Het pakket bevat 4 onderdelen (A t/m D);

A. Een samenhangend pakket maatregelen rond AOW- en pensioenleeftijd

de een-op-een koppeling van de leeftijd aan de levensverwachting is op lange(re) termijn menselijk en maatschappelijk onhoudbaar. De snelle stijging van de AOW-leeftijd op korte termijn heeft daarenboven grote consequenties voor groepen werkenden die zich hier onvoldoende op hebben kunnen voorbereiden. Daarnaast is maatwerk nodig in cao’s, waardoor mensen die langdurig en/of zwaar door arbeid zijn belast eerder kunnen uittreden. Dit moet door overheidsbeleid worden gefaciliteerd.

B. Introductie van een nieuwe pensioenregeling rond AOW- en pensioenleeftijd

Er wordt een nieuw type pensioencontract toegevoegd aan het bestaande palet. Met dit contract worden de sterke elementen van ons stelsel verder versterkt en rendementen en andere risico’s binnen het gehele collectief van het fonds optimaal gedeeld. Deelnemers en gepensioneerden wordt een beter perspectief op indexatie in combinatie met een stabiel pensioen geboden, waarvoor het ambitieniveau door sociale partners wordt vastgesteld.

C. Stringente voorwaarden aan afschaffing doorsneesystematiek

Het kabinet heeft aangegeven de doorsneesystematiek te willen vervangen door overgang op leeftijdsonafhankelijk premie. An deze transitie zijn forse generatie-effecten, risico’s en kosten verbonden. Sociale partner stellen daarom stringente voorwaarden aan een eventuele transitie. De generatie-effecten, kosten en risico’s dienen vooraf in beeld te zijn en bij aanvang moeten harde afspraken over compensatie en verdeling van de financieringslast worden gemaakt.

D. Verbreding basis onder collectieve aanvullende pensioenregelingen

Een toenemend aantal werkenden bouwt weinig tot geen aanvullend pensioen in de tweede pijler op omdat zij niet onder verplichte pensioenopbouw vallen. Dit kan leiden tot een (grote) inkomenstenachteruitgang bij pensioneren.

Het niet meedoen in de tweede pijler versmalt de basis onder deze pijler. Een toekomstbestendige en robuuste tweede pijler, zoals we beogen met onze inspanningen, zal ook voor zzp’ers toegankelijk en aantrekkelijk (moeten) zijn. Daarom zijn afspraken om adequate pensioenopbouw voor deze groep te bevorderen noodzakelijk.

Maatregelen op hoofdlijnen voor deze vier onderdelen:

A. Een samenhangend pakket maatregelen rond AOW- en pensioenleeftijd

De maatregelen om de AOW leeftijd te verhogen hebben een bijdrage geleverd aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. De een-op-een koppeling van de leeftijd aan de levensverwachting is op lange(re) termijn echter menselijk en maatschappelijk onhoudbaar. De snelle stijging van de AOW-leeftijd op korte termijn heeft daarenboven grote consequenties voor groepen werkenden die zich hier onvoldoende op hebben kunnen voorbereiden. Daarnaast is maatwerk nodig in cao’s, waardoor mensen die langdurig en/of zwaar door arbeid zijn belast, eerder kunnen uittreden. Dit moet door overheidsbeleid worden gefaciliteerd.

Maatregelen

• Vertraging van de verhoging van de AOW leeftijd op korte termijn. Uitgangspunt is het eerdere akkoord over 66 in 2020 en 67 in 2025. Het pad ernaar toe kan nader bepaald worden.

• De een-op-een koppeling van de leeftijd aan de levensverwachting lijkt op termijn maatschappelijk niet houdbaar. Hierover zal een duidelijke afspraak moeten komen hoe dit op te pakken. (vlg kabinet, op basis van nieuw onderzoek/advies).

• Er zijn meer mogelijkheden nodig voor de huidige generatie oudere werknemers om eerder te stoppen met werken als het niet langer gaat. Dit vergt sectoraal en individueel maatwerk. Opties, die in discussie zijn; het faciliteren van eerder opnemen van deeltijdpensioen, flexibilisering AOW, maatregelen rond RVU. De ruimte die er nu is om het werk deels af te bouwen (generatiepact e.d.) kan dan bijvoorbeeld ook in één keer opgenomen worden (in een kortere periode).

• Daarnaast zullen sociale partners en kabinet werken aan structureel verbeteren van duurzame inzetbaarheid, waarvan onderdeel uitmaakt de inzet op een leven lang ontwikkelen.

B. Introductie van een nieuw pensioencontract: opbouw met optimale collectieve risicodeling

De vormgeving van dit nieuwe pensioencontract is het resultaat van een intensieve zoektocht naar een contract dat beter aansluit op maatschappelijke trends, waarin de sterke elementen van ons stelsel verder versterkt worden, rendementen en risico’s tussen deelnemers en gepensioneerden optimaal gedeeld blijven worden en deelnemers en gepensioneerden een beter perspectief op indexatie in combinatie met een stabiel pensioen geboden kan worden.

Dit nieuwe pensioencontract is een belangrijke schakel in het toekomstbestendig maken van het pensioenstelsel. Het contract is gebaseerd op het streven een geïndexeerd pensioen te bieden, waarin het ambitieniveau door sociale partners wordt vastgesteld.

Het contract wordt toegevoegd aan het bestaande palet aan contracten. Het nieuwe contract is bedoeld, om veel fondsen een aantrekkelijk alternatief te bieden, maar ook bestaande contracten blijven mogelijk.

De eerdere verkenning in SER-verband van een meer persoonlijke opbouw van pensioenvermogen met collectieve risicodeling liet uiteindelijk weinig meerwaarde zien ten opzichte van de in 2016 geïntroduceerde verbeterde premieregeling, een contractvorm die in bepaalde gevallen nu al een alternatief biedt voor fondsen. Ook voor dit contract geldt dat het ambitieniveau door sociale partners wordt vastgesteld en periodiek worde herijkt.

Maatregelen:

Een nieuw contract dat kan worden toegevoegd aan het bestaande palet aan pensioencontracten:

• In het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt de premie vastgesteld als resultaat van een doelstelling voor een geïndexeerde pensioenuitkering, die periodiek op structurele haalbaarheid wordt getoetst. Daarmee kent contract het karakter van een premie-overeenkomst.

• De overeengekomen periodieke premies resulteren in voorwaardelijke opbouw, die wordt berekend op basis van de actuele marktrente (met UFR). De marktrente is transparant en niet gevoelig voor parameterrisico. Hiermee wordt voorkomen dat aanpassing van veronderstellingen leidt tot generatieoverdrachten. Een lage rente betekent voor de nieuwe inkoop van lage(re) voorwaardelijke opbouw maar een grotere kans op opwaartse aanpassing (indexatie). Helder is de noodzaak dat een overstap op een nieuw contract een beter perspectief op indexatie kan bieden, ook in de jaren direct na de overstap.

• Pensioenfondsen beleggen het vermogen en ingelegde premies in lijn met de risicobereidheid van het collectief van deelnemers. Alle (toekomstige) deelnemers en gepensioneerden delen gezamenlijk mee in schokken op financiële markten en in de levensverwachting. Dit geldt zowel voor goede als slechte tijden. In goede tijden kunnen de pensioenen (opbouw en uitkeringen) sneller worden verhoogd omdat niet eerste een buffer moet worden gevuld. In slechte tijden wordt er eerder gekort.

• Resultaten op financiële markten (rendement en waardestijgingen en –dalingen) en veranderingen in de levensverwachting worden gespreid verwerkt in de waarde van het opgebouwde pensioen de nominale zekerheidseisen worden losgelaten teneinde het indexatie perspectief niet onnodig te belemmeren. Sociale partners bepalen de spreidingsperiode, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de continuïteitsrisico’s van een sector of onderneming en waarbij schokken op financiële markten en in de levensverwachting (positief en negatief) ieder jaar voor 1/10e deel worden toegekend. Daarnaast zijn andere instrumenten beschikbaar in het beleggingsbeleid om stabiliteit te bieden.

• De beleggingsmix is in beginsel uniform. Door het gesprek toekennen van schokken is er maatwerk in het risicoprofiel: jongere deelnemers dragen meer risico dan oudere deelnemers.

• In tijden met een negatief rendement kan sprake zijn van een tekort. Dit heeft risico’s in zich voor draagvlak (binding van toekomstige generaties), vergrijzing (als er minder jongeren instromen dragen ouderen

Een te groot risico) en discontinuïteit (de levensduur van ondernemingen en sectoren worden korter). Het tekort kan daarom niet te groot worden en ook (mede door Europese regels0 niet onbeperkt blijven voortbestaan.

• Het contract kent duidelijke spelregels die op voorhand vastliggen. Dit geldt ook voor de situatie als het tekort groter is dan het maximaal toegestane tekort. Dit zorgt voor transparantie en voorkomt conflicten tussen deelnemers en generaties.

• In de communicatie krijgen deelnemers naast inzicht in hun opgebouwde pensioen ook inzicht in de pensioenambitie waar op wordt gestuurd, alsmede op de vermogensvorming zodat de relatie tussen premie en opbouw inzichtelijk wordt.

• Overgang naar dit contract betekent in beginsel overgang met verleden en toekomst. De regels worden ook van toepassing op de reeds opgebouwde pensioenen. De transitievoorwaarden zijn van te voren helder vastgelegd. Dit moet mogelijk en bereikbaar worden gemaakt door wetgeving.

• De collectieve variant van de Wet verbeterde premieregeling, die sinds september 2016 bestaat, is een combinatie van een meer persoonlijke pensioenopbouw met een geleidelijke inkoop in een variabele pensioenuitkering. Ook bij dit contract zal het ambitieniveau door sociale partners worden vastgesteld. Deze contractvorm is toegankelijk voor alle pensioenuitvoerders. Indien sociale partners in bedrijfstakpensioenfondsen hierop overstappen, wordt van de overheid verwacht te borgen dat de verplichtstelling bij de keuze voor dit contract in stand blijft. In het SER-advies zullen we iets uitgebreider in kunnen gaan op deze al bestaande variant.

C. Stringente voorwaarden aan afschaffing doorsneesystematiek

Het vorige kabinet alsmede het huidige kabinet, heeft het voornemen geuit de doorsneesystematiek te willen afschaffen en te vervangen voor een leeftijdsonafhankelijke premie. Aan de doorsneesystematiek zijn voordelen, maar ook nadelen verbonden. Voor een transitie naar leeftijdsonafhankelijke premies en degressieve opbouw, zijn gegronde redenen te geven, maar er zijn aan deze transitie ook forse risico’s, kosten en effecten verbonden. Sociale partners zien dit in dit (onderhandelings-) kader als een politiek gegeven en stellen wel stringente voorwaarden aan een eventuele transitie. De kosten, risico’s en effecten dienen vooraf in beeld te zijn en harde afspraken over compensatie en verdeling van de financieringslast moeten vooraf worden gemaakt.

Maatregelen:

• Het kabinet heeft aangegeven de doorsneesystematiek voor alle contracten te willen afschaffen en over te stappen naar een fiscaal kader met een leeftijdsonafhankelijke premie. Alle contracten moeten – binnen een redelijke termijn – over naar deze leeftijdsonafhankelijke premie. De afschaffing van de doorsneesystematiek gaat gepaard met een complex transitievraagstuk. De vormgeving van een adequaat transitiepas vergt een enorme inspanning van sociale partners en de overheid, die waarborgen vragen voor een eerlijke compensatie.

• Voor de deelnemers die al pensioen opbouwen betekent het afschaffen in veel gevallen een lager pensioenperspectief. Dat geldt zeker voor de groep rond de 45 jaar. Deelnemers moeten voor dit lagere pensioenperspectief gecompenseerd worden. De overgang naar een nieuw contract maakt deze transitie eenvoudiger. Voor gepensioneerden hoeft de afschaffing van de doorsneesystematiek geen gevolgen te hebben.

• Er dient op voorhand vertrouwen te zijn dat verschillende leeftijdscohorten van deelnemers niet de dupe zullen zijn van de overstap van doorsneesystematiek op een nieuwe regeling en dat zij kunnen rekenen op voldoende compensatie. Het is daarom noodzakelijk dat op decentraal niveau vooraf heldere en harde afspraken worden gemaakt over een adequate compensatie van deelnemers. Deze afspraken bevatten ook een financieringsplan dat vastlegt hoe de compensatielast wordt opgebracht, binnen de fiscale premieruimte van 2017.

• Naast procedurele waarborgen die de Pensioenwet bevat voor wijziging van de pensioenregeling stelt de overheid in overleg met de sociale partners een wettelijk kader op om de transitie in goede banen te leiden, rekening houdend met mogelijke economische scenario’s. Dit kader bepaalt de verplichting van sociale partners om samen met hun pensioenuitvoerder een evenwichtig transitie- en financieringsplan op te stellen conform heldere richtlijnen.

Dat wettelijk kader zou de volgende elementen dienen te bevatten:

- De verplichting om de generatie-effecten van een overgang in beeld te brengen op basis van gezamenlijke aannames en parameters;

- De verplichting om op basis hiervan te bepalen welke cohorten gecompenseerd worden;

- Waarborgen dat de arbeidsmarktpositie van bepaalde cohorten niet wordt geschaad;

- Een financieringsplan voor deze compensatie waarbij uit wordt gegaan van een evenwichtige spreiding tussen deelnemers, werkgevers en overheid;

- Een toets dat een dergelijk plan op voldoende draagvalk kan rekenen binnen een fonds;

- Verschillende scenario’s voor het omgaan met onverwachte schokken tijdens de transitie en hoe deze evenwichtig kunnen worden verdeeld;

- De verplichting om op basis hiervan een transparant plan voor een uitvoerbare overgang op te stellen;

- Een maximale duur voor het transitieproces.

• Voor de financiering van de compensatie van de afschaffing van de doorsneesystematiek kan gebruik worden gemaakt van diverse financieringsbronnen. Dit zijn:

- Langere beleggingshorizon. Door het uitfaseren van tijdsevenredige opbouw renderen de ingelegde premies langer. Dat levert een premievoordeel op voor alle deelnemers omdat met een lagere premie een zelfde pensioenresultaat kan worden bereikt. Dit levert gemiddeld ca. 8% premieruimte op maar dit verschilt per fonds.

- Overgang naar andere contract. Indien partijen overstappen op het nieuwe contract draagt een andere buffersystematiek bij aan de compensatie (zgn. dubbele transitie).

- Behouden ruimte in fiscale kader. De overheid moet de fiscaal gefaciliteerde pensioenpremie blijven handhaven op het niveau van 2017. Dit betekent geen verkrapping van de fiscale ruimte als gevolg van dat de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 per 2018. Dit levert a. 5% premieruimte op.

Met duurzame inzet van deze drie bronnen krijgt de compensatie een stevig – generiek – fundament voor alle deelnemers. Deze generieke compensatie is echter niet altijd voldoende om alle leeftijdscategorieën een vergelijkbaar pensioenresultaat te bieden als zonder afschaffing van de doorsneesystematiek zou worden bereikt. In die situaties is het noodzakelijk dat de ruimte van de bronnen deels gericht en tijdelijk kan worden overgeheveld naar de te compenseren groep. aanvullend kan tenslotte decentraal besloten worden tot het (gericht) inzetten van aanvullende of andere middelen.

• Decentrale partijen zullen een belangrijke verantwoordelijkheid hebben in de vormgeving van een evenwichtig transitiepad. De compensatie van het uitfaseren van de tijdsevenredige opbouw zal namelijk sterk verschillen van fonds tot fonds. Er is speciale aandacht nodig voor deelnemers in eeuwig groene fondsen of oudere fondsen, in verzekerde regelingen, in bestaande premieregelingen en partijen die willen blijven in huidige uitkeringsovereenkomst. Voor deze laatst drie groepen deelnemers kan geen compensatie worden geboden vanuit de overgang naar een nieuw contract, waardoor zij mogelijk te maken krijgen met een langere transitieperiode. Hier geldt eveneens dat deelnemers die nadeel ondervinden van de uitfasering van de tijdsevenredige opbouw daarvoor worden gecompenseerd zodat een evenwichtig pensioenresultaat voor alle generaties kan worden bereikt. Dit vraagt ruimte voor maatwerk door sociale partners decentraal en voldoende tijd en harde waarborgen via centrale afspraken.

• Het kabinet faciliteert de overgang naar leeftijdsonafhankelijke premies door voldoende ruimte te bieden in het fiscale kader. Daarbij is de premie die voortvloeit uit de fiscale facilitering in 2017 het uitgangspunt. Om voor alle contracten voldoende mogelijkheden te hebben (ook zonder dubbele transitie) is er ook voldoende tijd nodig. Sociale partners maken nadere afspraken met het kabinet ter waarborging van een zorgvuldige en evenwichtige transitie.

D. Verbreding basis onder collectieve aanvullende pensioenregelingen

Een toenemend aantal werkenden bouwt weinig tot geen aanvullend pensioen in de tweede pijler op. Dit kan leiden tot een (grote) inkomens achteruitgang bij pensioneren. De diversiteit onder zzp’ers is groot. Zzp’ers vallen veelal niet onder de verplichte pensioenopbouw. Van pensioenproducten in de derde pijler die zich specifiek richten op de doelgroep zzp'ers wordt maar beperkt gebruik gemaakt. Het inkomen voor de oude dag van zzp’ers wordt met name opgebouwd in de vierde pijler, via vrije besparingen of beleggingen of aflossing van de hypotheek, of is in het verleden opgebouwd in de tweede pijler in een periode dat als werknemers is gewerkt. In sommige sectoren, zoals de landbouw en de detailhandel, bouwen zzp’ers veel vermogen op in het eigen bedrijf. Bij bedrijfsbeëindiging kan dit vermogen naar verwachting worden omgezet in inkomen voor de oude dag. Tegelijkertijd groeit ook de groep zzp’ers die noch in eigen onderneming, noch in derde of vier pijler vermogen opbouwt. En het niet meedoen in de tweede pijler versmalt bovendien de basis onder deze pijler. Een toekomstbestendige en robuuste tweede pijler, zoals we beogen met onze inspanningen, zal ook voor zzp’ers toegankelijk en aantrekkelijk moeten worden.

Maatregelen:

• Zzp’ers kunnen vrijwillig pensioenopbouw in de tweede pijler voortzetten als een werknemer zzp'ers wordt. Het collectieve karakter zorgt ervoor dat geprofiteerd kan worden van (kosten)voordelen in beleggen, administratie en het afdekken van risico’s.

• Het nieuwe contract maakt het – na afschaffing doorsnee systematiek – beter mogelijk voor nieuwe zelfstandigen te kiezen om pensioen te blijven opbouwen bij hun pensioenuitvoerders.

• Wetgever moet het mogelijk maken dat zzp’ers zich vrijwillig kunnen aansluiten bij een pensioenfonds, in de sector of het bedrijf waar ze nu werkzaam zijn.

• Zeker in pensioenfondsen met een verbeterde premieregeling kan eenvoudig mogelijk worden gemaakt dat zzp’ers afhankelijk van het bedrijfsresultaat een variabele premie inleggen. Ook het nieuwe contract kan – in combinatie met de afschaffing van de doorsneesystematiek – het interessanter maken voor zzp’ers om deel te nemen. De bestaande mogelijkheden voor pensioen voor zzp’ers in de tweede pijler kunnen gemakkelijker per sector rekening houdend met de heterogeniteit per bedrijfstak of per beroepsgroep ingezet worden. De tweede pijler wordt zo toegankelijker en aantrekkelijker voor zzp’ers.

• Het is nu ook al mogelijk om zzp’ers onder de verplichtstelling in de tweede pijler te brengen. Dat kan door een beroepspensioenregeling verplicht te stellen, of door zelfstandigen onder de verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds te laten vallen. In andere sectoren is wellicht auto enrollment met opt-out voor zzp’ers een goed alternatief. Mogelijk is hier ondersteunende regelgeving noodzakelijk. 'Centrale sociale partners willen bevorderen dat zzp’ers adequaat pensioen opbouwen. Daartoe maken zij een handreiking voor decentrale sociale partners hoe zij – samen met zzp’ers – de bovenstaande mogelijkheden kunnen benutten en welke stappen daarvoor nodig zijn. In sectoren kunnen sociale partners en zzp-organisaties onderzoeken of en hoe zij de bestaande mogelijkheden, zoals een verplichtstelling of auto enrollment, al dan niet met opt-out mogelijkheid voor zzp’ers en/of variabele inleg, kunnen realiseren voor zzp’ers. Belangrijk is dat er daarvoor draagvlak bij zzp’ers bestaat. Ook om zzp’ers onder de verplichtstelling te brengen, is het nodig dat zzp’ers in de betreffende sector daar in georganiseerd verband aan meewerken. Bij een opt-out regeling lijkt dit eerder haalbaar.

• PM bespreken met Koolmees uitwerking passage met betrekking tot zzp’ers met een laag inkomen die meer dan drie maanden werkzaam zijn bij een opdrachtgever of reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten.

Overig:

• De aanpassingen van het stelsel moeten zorgen voor het herstel van vertrouwen van de deelnemers. Daarbij is het nodig dat veranderingen gezamenlijk worden opgepakt en alle aanpassingen en processtappen goed uitlegbaar zijn aan de deelnemers. Communicatie is belangrijk voor het draagvlak onder de veranderingen en moet dus niet het sluitstuk worden van de veranderingen maar een continu en zeer belangrijk aandachtspunt in het gehele proces.

• Het nabestaandenpensioen, premievrije voortzetting en eventuele arbeidsongeschiktheidspensioen zijn belangrijke elementen in ons pensioenstelsel. De collectieve solidaire vormgeving van deze regelingen staat niet ter discussie. In alle contracten blijft de mogelijkheid behouden om deze regelingen op een adequate wijze vorm te geven.

• Pensioen is bedoeld als een levenslange uitkering en dit blijft ook zo. Individueel maatwerk is mogelijk rondom pensioneren door keuzemogelijkheden als deeltijd pensioneren, vervroegen, uitstellen, hoog/laag en uitruil. Aanvullend zal de mogelijkheid van een beperkte lumpsum van (maximaal) 10% op pensioendatum worden toegevoegd, als specifieke invulling van de thans geldende mogelijkheid voor een hoog-laagconstructie.

• Het nieuwe pensioenstelsel is eerlijker en moderner en sluit aan bij de behoefte aan transparantie onder deelnemers en een meer flexibele arbeidsmarkt. De voorgestelde harmonisering van fiscale kaders draagt daar voor een belangrijk deel aan bij, maar er zijn meer uitdagingen, zoals de overdraagbaarheid. In het nieuwe stelsel blijven diverse contractvormen naast elkaar bestaan en daarmee blijven de overdraagbaarheid uniforme rekenregels noodzakelijk. Gezien de aanpassingen is herijking van de rekenregels noodzakelijk waarbij huidige belemmeringen moeten worden weggenomen.

• Het nieuwe contract vergt een nieuwe financiële regelset die recht doet aan het karakter van deze nieuwe pensioenovereenkomst.

• Van de overheid wordt verwacht voorwaarden te scheppen om de overstap ook in de implementatiefase (tussen besluit en realisatie) aantrekkelijk te maken, zodat deze overstap mogelijk is zonder eerst een korting door te voeren.