Nieuws/Financieel

Column: Lage rente juist geen probleem voor individueel pensioen

De Volkskrant kopte op 20 augustus dat mensen met een individueel pensioen zwaar teleurgesteld worden als ze pensioen moeten aankopen met hun pensioenspaarpot. En dat juist zij niet kunnen kiezen voor ’doorbeleggen’ na pensioendatum. Dit artikel werd op grote schaal - vooral ook op social media - klakkeloos overgenomen, ondanks het feit dat het faliekant onjuist is.

Door dit soort berichtgeving worden werknemers op het verkeerde been gezet. Juist voor individueel pensioen is namelijk doorbeleggen bedacht.

Hoe zit het dus nu met dat doorbeleggen?

Bij een zogenaamde beschikbare premieregeling (ook wel premieovereenkomst of DC (defined contribution) genoemd) zegt de werkgever geen (vaste) pensioenuitkering toe, maar legt ieder jaar een pensioenpremie in. Deze pensioenpremies worden belegd (meer of minder risicovol), zodat een werknemer op de pensioendatum een ’pensioenspaarpot’ heeft. Met deze spaarpot moet op de pensioendatum het (levenslange) pensioen worden aangekocht.

Vroeger, tot 2008 à 2009, was dat ’geen probleem’; de marktrente was zo’n 4%, dus het pensioen dat aangekocht kon worden was voldoende hoog (lees: goed).

Inmiddels is de marktrente echter gedaald tot onder de 1% en dit betekent een fors lager pensioen. Immers, er wordt rekening gehouden met slechts een rendement van 1% in plaats van 4%. Daarom is er vanaf medio 2016 de wettelijke mogelijkheid gekomen om ’door te beleggen’ ook na pensioendatum. Dat betekent dat er een pensioenuitkering aangekocht kan worden, uitgaande van een realistisch (voorzichtig) te verwachten rendement van momenteel ruim 2%.

Als het rendement beter is, wordt de pensioenuitkering verder verhoogd, valt het tegen, dan wordt het lager.

Een voorbeeld

Werknemer - met partner - heeft een pensioenspaarpot van €450.000.

Als hij kiest voor een levenslang vast pensioen dan krijgt hij €22.000 per jaar, bij overlijden krijgt zijn partner levenslang 70% daarvan.

Als hij kiest voor doorbeleggen, mét een hoog/laag-constructie van 10 jaar, dan krijgt hij €30.000 per jaar, en na 10 jaar €22.500 (75% van de hoge uitkering, dat is de maximaal mogelijke variatie). Ofwel, 33% meer.

Uitgaande van een ’normaal’ rendement van 3 a 4% zal zijn pensioen vervolgens na tien jaar toch weer zo’n €27.500 bedragen.

Garantie is duur

Ook de – collectieve - pensioenen bij pensioenfondsen zijn afhankelijk van het rendement (en levensverwachting). Dat blijkt wel uit het feit dat de meeste grote bedrijfstakpensioenfondsen al jaren het pensioen niet kunnen indexeren en soms zelfs moeten korten. Alleen pensioenen bij verzekeraars zijn ’hard gegarandeerd’. Maar ja, dan krijg je wel een lagere uitkering. Immers, de verzekeraar móet én de hoogte én de levenslange duur garanderen. Garanties zijn nu eenmaal ’duur’.

De berichtgeving was dus onjuist en zet mensen op het verkeerde been.

Deeltijdpensioen, hoog/laag, wel/geen partnerpensioen, doorbeleggen, allemaal keuzes die goed gecommuniceerd én toegelicht moeten worden. Elke keus is goed, mits gewenst. Garantie is niet goed of slecht, maar heeft z’n prijs. Doorbeleggen houdt een zeker risico in.

Niet meer standaard

Pensioen is echter niet meer standaard, collectief en dus voor iedereen gelijk. Net zo goed als iedereen ook een eigen hypotheekadviseur heeft als een huis wordt gekocht, zal een werknemer (of beter: de werkgever moet dat faciliteren) een eigen pensioenadviseur nodig hebben om de goede en juiste keuzes te maken voor een ’persoonlijk pensioen’. Dat levert, zo is onderzocht door onder andere Netspar (pensioendenktank Universiteit van Tilburg), meer op dan een ’standaard’ pensioen. Standaard past namelijk anno 2018 niemand meer.

Zo, nu iedereen het weet, kan minister Koolmees met een gerust hart op Prinsjesdag zijn plannen voor de overstap naar een meer persoonlijk pensioenstelsel ontvouwen.

Mr. Theo Gommer MPLA CCFP is managing partner bij de &Gommer Pensions Group en Gommer & Partners Pensioen Advocaten en voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen.