Nieuws/Financieel
3202073
Financieel

Dividendbelegger wint

Aandeelhouders van Shell moeten het vooral van het dividend hebben.

Aandeelhouders van Shell moeten het vooral van het dividend hebben.

Zo’n 36 jaar geleden, op 4 maart 1983 om precies te zijn, zag ’s lands bekendste beursgraadmeter het levenslicht. Aanvankelijk was dat nog onder de naam EOE-index, later is deze omgedoopt tot AEX-index. Bij aanvang bestond de index nog maar uit 13 fondsen; ABN, Ahold, Akzo, Amro, Gist-Brocades, Heineken, Hoogovens, KLM, Koninklijke Olie, Nationale Nederlanden, Philips, Unilever en Nedlloyd. Voor het eerst konden beleggers inspelen op bewegingen van de beurs als geheel.

Aandeelhouders van Shell moeten het vooral van het dividend hebben.

Aandeelhouders van Shell moeten het vooral van het dividend hebben.

De index begon met een notering van 100 punten, toen nog in guldens. In euro’s gemeten dus 45,38 punten. Een belegger van het eerste uur, die dus destijds zou zijn ingestapt en vervolgens 36 jaar was blijven zitten, zou het niet onaardige rendement van 1.080 procent hebben gerealiseerd. Dat komt neer op een rendement van gemiddeld 7,1 procent per jaar.

Wilde rit

In die afgelopen 36 jaar hebben beleggers natuurlijk wel het een en ander voor de kiezen gekregen. Zo stortte de beurs in oktober 1987 op een dag volledig in om dat twee jaar nadien nog eens dunnetjes over te doen. De jaren ’90 werden gekenmerkt door aanhoudende spectaculaire koersstijgingen. Deze zouden echter uitmonden in de beruchte internetbubbel van rond de eeuwwisseling. Na het bereiken van de historische piek van 701 punten in september van 2000 zakte de beurs tot een dieptepunt van 218 punten in maart 2003 ineen. Een daling van bijna 70 procent in ongeveer tweeënhalf jaar!

Na het uiteenbarsten van deze zeepbel volgde een nieuwe rally die pas in de zomer van 2007 tot stilstand zou komen op een niveau van 562 punten. Toch een stijging van 158 procent. Toen volgde de kredietcrisis. De oude top van ruim 700 punten werd nooit meer gezien. Sterker nog, de AEX zette in maart 2009 een nieuwe bodem neer met 199 punten. Een daling van 65 procent. De afgelopen tien jaar liep de beurs echter weer op naar het huidige niveau van 537 punten. Voor beleggers dus een nogal wilde rit. Het vergde behoorlijk wat koelbloedigheid om die eerdergenoemde 7,1 procent per jaar daadwerkelijk te realiseren.

Herbeleggen

Beleggers die dat wel zouden hebben gedaan en bovendien hun uitgekeerde dividenden voortdurend zouden hebben herbelegd waren over de gehele periode echter spectaculair beter af. Zo zou een standvastige dividendbelegger over deze 36 jaar niet minder dan 2620 procent hebben gerealiseerd. Dat komt neer op 9,57 procent gemiddeld per jaar. Waar de eerdergenoemde AEX-belegger een beginkapitaal van 100.000 euro had zien aangroeien tot 1.180.000 euro, zou een dividendbelegger hetzelfde kapitaal tot 2.720.000 euro hebben zien toenemen. Dat is 2,3 keer zoveel!

Hier zien we het fenomeen van de samengestelde rente in optima forma. Albert Einstein noemde dit wel het achtste wereldwonder. Het rente-op-rente effect, of in dit genoemde geval het dividend-op-dividend effect, kan worden vergeleken met het rollen van een sneeuwbal. Het doet het vermogen na verloop van tijd exponentieel toenemen. Bovenstaand voorbeeld van de AEX maakt wat dat betreft veel duidelijk. Van het totaal gerealiseerde rendement over een periode van 36 jaar is ongeveer 60 procent toe te schrijven aan herbelegde dividenden en slechts 40 procent aan koerswinst. Met andere woorden, over een langere periode zijn uitgekeerde dividenden belangrijker dan koerswinsten.

Te hoog is niet goed

Wanneer we bovengenoemd voorbeeld op een notoire dividendbetaler als Royal Dutch Shell toepassen is het nog sprekender. Bij de dividendkoning blijkt over een dergelijk lange periode maar liefst 85 procent van het totale rendement afkomstig te zijn uit herbelegde dividenden. De overige 15 procent is koerswinst.

Een belangrijk punt bij het dividendbeleggen is wel dat er aandelen moeten worden geselecteerd met een in de tijd houdbaar dividend, denk bijvoorbeeld aan de zogenaamde dividendaristocraten. Dat zijn bedrijven die niet per se een heel hoog dividend, maar wel een jarenlang gestaag groeiend dividend uitkeren. Het zijn juist de bedrijven met een (te) hoog dividend die beleggers moeten wantrouwen. (Te) hoge dividenden zijn immers zelden houdbaar.

Door: Martine Hafkamp, algemeen directeur Fintessa Vermogensbeheer