Nieuws/Financieel
436546
Financieel

Is de pensioenverzekeraar aansprakelijk als mijn werkgever de premies niet heeft betaald?

De verzekeraar heeft in elk geval een inspanningsplicht op grond van artikel 29 Pensioenwet. Maar voor verzekeraars gaat dit niet zo ver dat rechtsmaatregelen getroffen moeten worden tegen een premieachterstand van de werkgever.

Wat was er aan de hand?

In dit geval was de werkneemster is van 1 mei 2010 tot 15 juli 2014 in dienst geweest bij de werkgever. Bij brief, eveneens van 28 juni 2013, heeft de verzekeraar onder toezending van een kopie van de brief die zij aan de werkgever had gezonden, werkneemster bericht dat de werkgever al een tijd geen pensioenpremie had betaald en daarbij gewezen op de gevolgen. Verder heeft de verzekeraar werkneemster geattendeerd op de mogelijkheid zelf haar werkgever op het niet-betalen aan te spreken. Of de werkneemster dat heeft gedaan staat niet vast. Omdat de werkgever ook daarna in gebreke bleef met de aflossing van de openstaande premieschuld heeft de verzekeraar aan werkneemster bij brief van 16 oktober 2013 meegedeeld dat haar deelneming aan de pensioenregeling per 1 januari 2013 was beëindigd. Met terugwerkende kracht dus. Werkneemster heeft zich bij brief van haar gemachtigde van 9 januari 2014 tot de verzekeraar gewend met het verzoek inzichtelijk te maken welke (aantoonbare) inspanningen de verzekeraar had verricht om de achterstallige premies te innen. De verzekeraar heeft verwezen naar de hierboven vermelde aanmaningen die zij aan de werkgever had gezonden. De verzekeraar heeft geen verdere op incassering van de openstaande premie gerichte activiteiten.

De werkneemster is van mening dat de verzekeraar zich niet op de in artikel 29 Pensioenwet voorgeschreven wijze had ingespannen voordat de opbouw van de pensioenaanspraken van werkneemster was beëindigd. Vervolgens ging helaas de werkgever ook nog eens failliet. Daar was dus niets meer te halen. De werkneemster nam dan ook het besluit om de verzekeraar in een procedure te betrekken en die procedure won ze ook nog. De kantonrechter oordeelde namelijk dat de verzekeraar zich onvoldoende had ingespannen.

Daartegen ging de verzekeraar echter in hoger beroep.

Het Hof stelde vast, dat de werkgever eigenlijk altijd netjes had betaald en nu na twee aanmaningen niet meer betaalde. Het Hof vond dat onvoldoende om te concluderen dat de verzekeraar dan niet aan de verplichtingen van artikel 29 Pensioenwet zou hebben voldaan. De kantonrechter had geoordeeld dat deze wetsbepaling aldus moest worden uitgelegd dat de verzekeraar zich pas voldoende zou hebben ingespannen wanneer ook gerechtelijke maatregelen (dagvaardingsprocedure of faillissementsaanvraag) niet tot betaling hadden geleid. Het stond in deze procedure vast, dat de werkgever in een redelijke periode van circa twee jaar voorafgaand aan de wanbetaling nu niet in gebreke was geweest. Daar had de verzekeraar de pensioenverzekering moeten voortzetten tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst van werkneemster eindigde, aldus nog steeds de kantonrechter. De verzekeraar zoekt echter steun in de Kamerstukken bij de Pensioenwet:

Nieuw is dat zij dat recht (het doen van de in art. 29 lid 2 Pensioenwet bedoelde mededeling, hof) alleen hebben wanneer zij de betrokkenen daarover rechtstreeks hebben geïnformeerd én dat zij moeten kunnen aantonen dat zij geprobeerd hebben de premie alsnog te innen. Een dergelijke inspanning kan bijvoorbeeld plaatsvinden door middel van het versturen van een aanmaning door de verzekeraar aan de werkgever ( Kamerstukken II 2005/06, 304013, 3, p. 196).

Andere aanknopingspunten dan het verzenden van een aanmaning bevatten de kamerstukken niet ten aanzien van de inspanningen die de pensioenverzekeraar zich bij wanbetaling van de pensioenpremie in het belang van de werknemer op de pensioenverzekeraar moet getroosten. Als zodanige aanwijzing kan, anders dan werkneemster heeft aangevoerd, niet gelden het feit dat de regering het niet zinvol heeft geacht dat de deelnemers bij wanbetaling van de premie onmiddellijk zouden worden geïnformeerd.

Evenmin levert de verlenging van de aanvankelijk door de regering wenselijk geachte periode van drie tot vijf maanden van de periode waarbinnen de verzekeraar zich zou moeten inspannen de achterstallige pensioenpremie te innen, zoals werkneemster verder heeft betoogd, steun voor de stelling dat de verzekeraar pas aan zijn verplichting ter zake heeft voldaan als hij rechtsmaatregelen heeft genomen ter incasso van de achterstallige premie. Integendeel, uit hetgeen is bepaald in lid 3 van artikel 29 Pensioenwet, te weten dat de opbouw van pensioenaanspraken niet eerder kan worden beëindigd dan drie maanden na de hier bedoelde mededeling, kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook de werknemer, die immers een groot belang heeft bij tijdige premieafdracht, alsnog gedurende drie maanden in de gelegenheid te stellen zijn werkgever te bewegen de achterstallige premies te voldoen.

De eis van een voorafgaand – vergeefs – incassotraject door de verzekeraar is daarmee niet in overeenstemming. De aan de pensioenverzekeraar in artikel 29 lid 2 Pensioenwet opgelegde inspanningsverplichting is aldus veeleer te beschouwen als een door de werkgever ernstig te nemen aantoonbare waarschuwing van de verzekeraar dat bij niet-betaling de pensioenaanspraken van de betrokken werknemers in het gedrang zullen komen, maar beoogt niet aan een verzekeraar de verplichting op te leggen via een gerechtelijke weg de achterstallige premies te trachten te incasseren. Integendeel, aangenomen mag worden dat zodanige maatregelen binnen dit tijdvak - hoge uitzonderingen daargelaten - er niet toe leiden dat de achterstallige premie alsnog wordt ontvangen, terwijl de terugwerkende kracht waarmee de verzekeraar de pensioenopbouw mag staken beperkt is tot een periode van vijf maanden. Het vonnis van de kantonrechter wordt dan ook vernietigd.

Van belang is hier dat de werkgever een keurig betalingspatroon vertoonde in de voorafgaande periode. Naar mijn mening kan de uitkomst dus anders zijn, indien dat niet het geval is geweest en de verzekeraar al vaker aan de bel heeft moeten trekken, waarna wel betaling plaats vond of de verzekeraar bij niet betaling toch weer de overeenkomst/deelname voorzet. Naarmate de verzekeraar meer afwijkt van de door de Pensioenwet aangegeven termijnen en mogelijkheden tot het wel realiseren dat de premie wordt betaald is het redelijk en billijk dat ook de aan de verzekeraar gestelde eisen tot incasso zwaarder worden en minder snel tot beëindigen van de deelname kan worden gekomen c.q. wordt de periode van terugwerkende kracht ingekort en zelfs helemaal uitgesloten. De verzekeraar heeft er dan immers zelf voor gekozen het risico van non-betaling door de werkgever te nemen.

Meer weten over pensioenontwikkelingen? Kijk dan ook eens op www.pensioenweblog.nl!