Nieuws/Financieel
872948
Financieel

Olieprijs zorgt voor onrust op valutamarkten

De olieprijs die in de afgelopen vijf maanden met een schrikbarende 48% daalde, nadat in juni een piek van 60 dollar per vat was bereikt, heeft de afgelopen maanden de valutamarkten ernstig verstoord door deze in twee kampen te verdelen: de winnaars en de verliezers.

De valuta’s van landen die grondstoffen exporteren en vooral die van de olie-exporterende landen zijn zwaar getroffen. Het belangrijkste voorbeeld is de Russische roebel.

De roebel stond al onder druk door de sancties van het westen in het conflict over Oekraïne. De Russische economie is sterk afhankelijk van olie- en gasexport die twee derde van de totale Russische export van 530 miljard dollar (439 miljard euro) uitmaakt en voor meer dan de helft van de staatsinkomsten zorgt. Het is dus niet verwonderlijk dat de roebel gelijke pas hield met de olieprijs en in de afgelopen 5 maanden ook de helft van zijn waarde verloor. (figuur 1).

 

Figuur 1: RUB/USD en ruwe olieprijs (juli-december 2014)

 

 

De daling van de roebel versnelde zich deze week en er vormden zich lange rijen voor de geldwisselkantoren die deden denken aan de ineenstorting van de Russische valuta in 1998. De Russische centrale bank verraste de markten deze week met een renteverhoging van 6.5% naar 17%. Hoewel dit een drastische ingreep is, zijn we nog ver verwijderd van de rente van 70% die bereikt werd tijdens de crisis van 1998. Deze ingreep lijkt samen met het opkopen van roebels op de open markt door de Russische overheid de munt voorlopig te hebben gestabiliseerd.

In mindere mate heeft de daling van de olieprijs ook de valuta’s van andere opkomende landen onderuitgehaald waaronder de Nigeriaanse naira (NGN), de Braziliaanse real (BRL) en de Mexicaanse peso (MXN) en zelfs de Australische dollar (AUD). Figuur 2 toont de koersontwikkeling van deze valuta’s tegen de dollar gedurende de afgelopen drie maanden. De meeste valuta’s van olie-exporterende landen in het Midden-Oosten hebben tot nu toe een devaluatie vermeden aangezien zij aan de dollar zijn gekoppeld. De enorme deviezenreserves die gedurende de jaren van hoge olieprijzen zijn opgebouwd, zorgen ervoor dat de koppeling op middellange termijn kan worden gehandhaafd.

 

Figuur 2: Relatieve koersverandering AUD, BRL, MXN, NGN (sep-dec 2014)

 

 

Verrassend genoeg is er sprake van een spill-overeffect naar valuta’s van opkomende landen die niet van olie-export afhankelijk zijn. De Turkse lira en de Zuid-Afrikaanse rand die doorgaans stijgen door lagere olieprijzen, zijn deze maand gedaald, hoewel de verliezen vooralsnog beperkt zijn vergeleken met de eerder genoemde valuta’s.

 

Wat kunnen we verwachten in 2015?

Als de sterke daling van de olieprijzen zich doorzet, is het gevolg een inkomstenstroom van olie-exporterende landen naar olie-importerende landen, terwijl de inflatie wereldwijd onder neerwaartse druk staat. Omdat olieconsumerende gebieden als de VS, China, Japan en Europa een neiging hebben meer van hun inkomen te besteden dan olie-exporterende, heeft een daling van de olieprijs hetzelfde effect als een belastingverlaging. Bedrijven en huishoudens zijn hun uitgaven dalen, waardoor meer aan andere zaken kan worden besteed. Volgens Goldman Sachs zou het bbp van de VS hierdoor met tot 0,4% kunnen stijgen. JP Morgan verwacht wereldwijd een vergelijkbare invloed op het bbp.

 

Gevolgen voor opkomende markten

Uiteraard is de daling van de olieprijzen slecht nieuws voor olie-exporteurs. Toch is er een flinke groep opkomende landen die feitelijk baat heeft bij de prijsdaling. Figuur 3 geeft met het belang van olie voor verschillende landen een goed beeld van de kwetsbaarheid van hun valuta’s (gekoppelde valuta’s buiten beschouwing gelaten).

Figuur 3: Netto olie-export als percentage van het bbp

 

Hoewel er grote kans is op devaluatie in de meest kwetsbare olie-exporterende landen (veel valuta’s zijn al gedevalueerd), zijn veel opkomende markten stabieler dan in 1998. Sindsdien hebben opkomende landen flinke reserves van vreemde valuta’s opgebouwd (figuur 4) en de meeste hebben wetgeving doorgevoerd om te voorkomen dat in buitenlandse valuta’s wordt geleend. Het is goed om te weten dat zelfs Rusland over valutareserves beschikt ter waarde van ruim 400 miljard dollar en na jaren gedegen budgettering een zeer kleine staatsschuld heeft.

Daarom zijn we minder bang voor algemene paniek zoals die zich in 1998 in opkomende markten voordeed en we zijn van mening dat ieder land individueel moet worden geanalyseerd om de kwetsbaarheid van de betreffende valuta voor dalende olieprijzen vast te stellen.

Figuur 4: Wereldwijde valutareserves (2004-2011)

 

 

G10

Met uitzondering van Canada en Noorwegen, zijn de G10-landen netto importeurs van olie en hebben zij daarom voordeel bij lagere olieprijzen. Aan de bovenstaande uitzonderingen moeten we Australië nog toevoegen. De Australische economie is namelijk bijzonder afhankelijk van overige grondstoffen waarvan de prijzen tegelijkertijd met de olieprijs zijn gedaald. Buiten deze drie landen neemt het reële inkomen door de lagere olieprijs overal toe, waardoor de consumptie en investeringen toenemen. Dit positieve effect gaat samen met een tijdelijke daling van de inflatie. In normale omstandigheden ligt de inflatie rond de doelstelling van 2 à 3% en is een tijdelijke daling daarvan geen probleem.

Momenteel is er echter geen sprake van normale omstandigheden. In de meeste G10-landen ligt de inflatie een stuk lager en is bijna sprake van deflatie. In deze situatie is een eenmalige daling van de nominale inflatie met 0,5% à 1% (onze schatting van het effect van da dalende olieprijzen) voldoende om deflatie te veroorzaken. Zodra deflatie zich vastzet in de conjunctuur, zoals de afgelopen twee decennia in Japan het geval was, kan het heel moeilijk zijn om deze beweging om te draaien. Daarom verwachten we van bepaalde centrale banken, en vooral de ECB en de Bank of Japan, de komende maanden nog agressievere monetaire stimuleringsmaatregelen.