939066
Financieel

Banenplan van de vakbonden kost banen

Het komende decennium zal de Nederlandse arbeidsmarkt spectaculair veranderen. De belangrijkste ontwikkelingen zijn een baanarme groei, een afname van vaste banen, een toename van zzp-ers, een verdergaande mismatch en een werkloosheid die met 7-8% structureel hoog blijft. De economische groei zal naar verwachting bescheiden zijn, tussen 1-2%.

Daarnaast zijn er door nieuwe technologie en automatisering minder werknemers nodig. Beide ontwikkelingen hebben tot gevolg dat er per saldo in Nederland te weinig banen worden gecreëerd. Voor nieuwe werkgelegenheid zijn we vooral afhankelijk van het midden en kleinbedrijf. Bij de overheid en de semipublieke sector is er sprake van banenverlies. Bovendien zal op de arbeidsmarkt het aantal vaste contracten snel afnemen. Steeds meer bedrijven werken met verschillende vormen van flexibele arbeid, zoals nulurencontracten, oproepkrachten, tijdelijke contracten, uitzendkrachten en zzp’ers. Deze zogenoemde flexibele schil die in 2007 rond de 20% lag, is nu circa 25% en zal in 2020 zijn toegenomen tot ongeveer 30%. Recente wetgeving van het kabinet Rutte 2 om het aantal vaste arbeidscontracten te bevorderen, zal deze trend niet kunnen keren. Ook de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt ( de mismatch) is in Nederland een belangrijk knelpunt. Zo is er veel vraag naar technisch opgeleid personeel, maar kunnen deze vacatures niet worden ingevuld.

Voor veel werkgevers is flexibiliteit een noodzaak om te kunnen overleven. Economische ontwikkelingen zijn grillig en steeds minder voorspelbaar. Door globalisering en technologische ontwikkelingen neemt bovendien de concurrentie toe. Ook is er op internationale markten steeds meer sprake van pieken en dalen. Daardoor moeten bedrijven flexibel en snel reageren op een veranderende marktvraag. Daar komt nog bij dat ondernemingen, mede als gevolg van digitalisering, steeds minder honkvast worden. Vanwege de wereldwijde concurrentie houden ze nauwgezet bij welke landen het beste vestigingsklimaat bieden. Veel landen zorgen er voor dat ze een goed ondernemingsklimaat hebben en een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor multinationale bedrijven. Daarbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals het onderwijsniveau van de beroepsbevolking, een flexibele arbeidsmarkt, concurrerende loonkosten en een vriendelijke belastingheffing. Afgelopen week onderstreepte minister Henk Kamp van Economische Zaken het belang van het vestigingsklimaat tijdens het debat in de Tweede Kamer over het vertrek van sigarettenfabriek Philip Morris uit ons land.

Banenplan van vakbonden schept geen extra werk

Met het oog op het behoud en het aantrekken van ondernemingen zijn verschillende landen bezig met het verbeteren van hun belastingklimaat. In Europa timmert het Verenigd Koninkrijk flink aan de weg, onder meer met een tariefsverlaging van de winstbelasting naar 20%. De Engelsen zijn met hun aanpak succesvol: het afgelopen jaar hebben verschillende internationale bedrijven voor het VK gekozen, daarmee zijn vele duizenden banen gemoeid.

Ook Nederland heeft banen nodig en de afgelopen maanden zijn er verschillende voorstellen gelanceerd. Afgelopen maandag waren de vakbonden aan de beurt. De vakcentrales FNV, CNV en VCP presenteerden een ‘banenplan’ met 58 concrete voorstellen die maar liefst 300.000 extra banen moeten opleveren. We beginnen met een compliment. Internationaal gezien is het uniek dat een vakbeweging zich zo op een constructieve wijze inzet voor werkgelegenheid. De volgende voorstellen vallen op. Om de belasting op arbeid te verlagen, moeten volgens de bonden de belastingen op vermogens omhoog en gaan multinationals meer belasting betalen. We willen niet vervelend doen, maar dit voorstel zal per saldo een verlies aan werkgelegenheid opleveren. In Nederland is de lastendruk op arbeid inderdaad veel te hoog en dat kost werk. De oorzaak is ook duidelijk. Deze lasten liggen zo hoog doordat achtereenvolgende kabinetten bezuinigingen hebben afgewenteld op werknemers en werkgevers in de vorm van hogere belastingen en premies. Deze verzwaring moet worden teruggedraaid; dat zal zeker tot meer werk in de marktsector leiden.

Belastingverhogingen zijn jobkillers

Het verlagen van belastingdruk op arbeid die gefinancierd wordt met extra heffingen op vermogens en internationale bedrijven zal funeste gevolgen hebben voor onze werkgelegenheid. Uit cijfers van het CBS blijkt dat een belangrijk deel van het vermogen in Nederland een onderdeel is van familiebedrijven. Deze ondernemers zijn van essentieel belang voor banen. Een hogere lastendruk op hun ondernemingsvermogen vernietigt juist werk. Dat geldt ook voor een hogere belasting op multinationals. Deze bedrijven worden in landen die met Nederland concurreren meer dan welkom geheten. Ze krijgen een aantrekkelijk pakket aan vestigingsvoorwaarden, zoals lagere loonkosten, een meer flexibele arbeidsmarkt, een beroepsbevolking die per jaar veel meer werkuren maakt, minder mismatch op de arbeidsmarkt en lagere belastingen. Daarom zouden de vakbonden hun belastingverhogingen snel van tafel moeten halen. We schreven het al eerder: belastingverhogingen pakken in het algemeen slecht uit voor werkgelegenheid: internationaal worden ze aangeduid als jobkillers.

Minder werken levert geen nieuwe banen op

Het plan van de bonden bevat ook het op zich sympathieke voorstel om in cao’s de mogelijkheid op te nemen dat ouderen vrijwillig minder gaan werken ten behoeve van jongeren. Maar minder werken door ouderen betekent niet onmiddellijk banen voor de jeugd. Veel jongeren zijn niet voldoende of ‘verkeerd’ opgeleid om dat werk op de korte termijn over te nemen. Daarvoor is het nodig dat in ons onderwijs veel meer wordt ingespeeld op de huidige en toekomstige vraag naar werknemers met een bepaalde kennis en vaardigheden. Daarom zal ook het voorstel van de vakbeweging om vanaf 2016 af te zien van een verdere verhoging van de AOW-leeftijd niet tot meer banen leiden.

De werkgelegenheid is niet gediend met belastingverhogingen of belastingdrukverschuivingen. Verreweg de beste methode om banen te scheppen is een verlaging van de werkgevers- en werknemerswig, met name in het mkb en een ruimere kredietverlening. De wigverlaging moet worden betaald uit de opbrengst van lagere collectieve overheidsuitgaven. Deze liggen in 2014 boven de 50% van het BBP, ver boven dat van de meeste westerse industrielanden. Dit veel te grote overheidsbeslag gaat ten koste van dynamiek en werkgelegenheid in de marktsector, terwijl de banen juist door ondernemers gecreëerd moeten worden. Daar moet de focus liggen.