Lifestyle/Geschiedenis
1082390549
Geschiedenis

Duitse hyperinflatie in 1923 voedingsbodem opkomst Adolf Hitler

Iedereen was miljardair in Weimarrepubliek

Kinderen spelen met geld dat door de hyperinflatie bijna niets meer waard is.

Kinderen spelen met geld dat door de hyperinflatie bijna niets meer waard is.

Europa zucht onder de inflatie, voor het eerst sinds 1975 rond de tien procent. De Duitse bondskanselier Scholz waarschuwde onlangs voor ’hyperinflatie’, zoals in het economische rampjaar 1923. Toen kostte in zijn land een kilo brood meer dan 200 miljard mark.

Kinderen spelen met geld dat door de hyperinflatie bijna niets meer waard is.

Kinderen spelen met geld dat door de hyperinflatie bijna niets meer waard is.

door Bart Gielen

In de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog verkeerde Duitsland in zwaar weer. Aanhoudende politieke onrust, economische crises én de strenge bepalingen van het Verdrag van Versailles hingen als een molensteen om de nek van de nieuwe Weimarrepubliek, die na de vlucht van de keizer was uitgeroepen. Bovendien bepaalden de overwinnaars in 1921 dat Berlijn 132 miljard goudmark aan herstelbetalingen moest betalen.

Reactie

Als reactie hierop ging de regering over tot een bewuste inflatiepolitiek. Hiermee hoopte zij Frankrijk en Engeland ervan te overtuigen dat Duitsland nooit in staat zou zijn om aan zulke loodzware betaalverplichtingen te voldoen. De waardevermindering van de mark liep snel op. Waar men in 1918 voor één dollar 13 mark moest betalen, kostte deze eind 1922 al meer dan zevenduizend mark. In 1923 werd het pas echt menens.

Onvrede

Uit onvrede over achterblijvende betalingen, bezetten Franse troepen op 11 januari het Ruhrgebied. De Duitse regering ging over tot ’passief verzet’. Niet alleen werden twee miljoen arbeiders doorbetaald, maar ook de werkgevers. Dit kon alleen gedekt worden door ongeremd geld bij te drukken. De gevolgen waren desastreus. Meteen schoot de waarde van de dollar met tienduizenden marken per dag omhoog. „Wij volgden de gebeurtenissen perplex, alsof het om een opmerkelijk natuurverschijnsel ging”, memoreerde schrijver en journalist Sebastian Haffner later in zijn boek Het verhaal van een Duitser 1914-1933. „De prijsstijging werd het gesprek van de dag en opeens beseften we dat deze gebeurtenis ons dagelijks leven had geruïneerd.”

Wie een spaarrekening of een andere geldbelegging had, zag die als sneeuw voor de zon verdwijnen. Een salaris van 65.000 mark dat op vrijdag werd uitgekeerd was de daaropvolgende maandag al niet meer voldoende om een pakje sigaretten van te kopen.

Astronomisch

In november 1923 bereikte de waarde van één dollar het astronomische bedrag van 4,2 biljoen Duitse mark. Ondertussen drukte de Centrale Bank zoveel geld bij dat zij dertig papierfabrieken in gebruik had. Er ontstond zelfs een vervoersprobleem: hele goederentreinen moesten voor het transport van nieuwe bankbiljetten worden ingezet. Om een einde te maken aan deze surrealistische situatie, werd op 15 november de papiermark vervangen door een nieuwe, tijdelijke munteenheid: de Rentenmark, met Duits onroerend goed als onderpand. De 12 nullen werden simpelweg van de prijzen afgehaald. Het effect was meteen merkbaar. Op een Berlijnse kerstmarkt van dat jaar verschenen aanplakbiljetten met daarop te lezen: ’Ouderwetse prijzen uit de tijden van vrede’.

Eénduizend, pardon eén miljard mark

Eénduizend, pardon eén miljard mark

Onze huidige inflatie – hoe ernstig ook – valt in het niet bij de geldontwaarding die de Duitsers in 1923 trof. Lonen en spaartegoeden werden uitgehold, net als het maatschappelijke en politieke vertrouwen.

„Niet alleen het geld, maar ook alle waarden werden waardeloos gemaakt”, aldus Sebastian Haffner. Het maakte de weg vrij voor extremisten. Zo rook Adolf Hitler op 8 november van dat jaar zijn kans en pleegde in München een staatsgreep. Hoewel deze mislukte, groeide hij in één klap uit tot een nationale bekendheid. Met alle gevolgen van dien…