Lifestyle/Natuur
244519255
Natuur

Freek Vonk kan geluk niet op: bergduivel gevonden!

Bioloog prof. dr. Freek Vonk schrijft elke twee weken een column op VRIJ. Vandaag schrijft hij over zijn ontmoeting met een bergduivel.

Wat een snikhete dag, zeker 43 graden Celsius. Ik wandel in de outback, het hart van Australië. Mijn crew is kapot door hitte en inspanning. Erg lang houd je het hier als mens niet uit zonder schaduw en veel rust. Maar wanneer we een bergduivel door het rode zand zien kuieren, staan we ineens weer op scherp.

Bergduivels leven in het wild alleen in de Australische woestijn. Ze zijn klein en zeer moeilijk te vinden, zelfs voor experts die er met hun neus bijna bovenop zitten. Dit noem ik dus pas geluk hebben. Wat is dit een mooi monstertje!

Bergduivels hebben zoveel stekels op hun lijf dat je er bijna geen dier meer in kunt herkennen. De grootste, kegelvormige stekels zitten op hun kop en rug, maar zelfs hun buik is prikkelbaar. Dat maakt ze een lastige hap, zelfs al zijn ze slechts tien centimeter groot. De stekels zien er niet alleen gevaarlijk uit, de scherpe punten kunnen ook een slokdarm of maagwand beschadigen.

Daarom laten veel roofdieren ze links liggen. Bergduivels vallen vooral ten prooi aan varanen en sommige roofvogels. Vol met stekels zitten is blijkbaar niet genoeg voor een veilige overtocht. Sterker nog: dat verhoornde harnas maakt ze verrekte langzaam. Wegrennen is uitgesloten. Dus maken bergduivels er een kunst van: ze lopen héél langzaam en wiegen tussen de stappen door naar voren en achteren, vergelijkbaar met wat kameleons doen. Ze bevriezen zelfs midden in een stap. Al schokkerig wandelend foppen ze hun vijanden die overdag met hun scherpe ogen op de kleinste beweging in het landschap letten.

"Monstertje fopt zijn vijanden"

Bergduivels eten enkel mieren. Dat heeft een groot voordeel omdat die in de woestijn altijd zijn te vinden. Eten genoeg. Zodra ze een mierenspoor vinden, blijven ze zitten en hoeven ze alleen nog hun tong uit te steken.

Water is een ander verhaal. Gelukkig hebben bergduivels een geniale manier om aan drinkwater te komen. In elk van hun schubben zitten heel kleine groefjes die uitmonden in piepkleine kanaaltjes die tussen de schubben door lopen. Dit netwerk staat in verbinding met zijn mondhoeken. ’s Nachts vormt zich dauw op de woestijnplanten en op de bergduivels zelf. De druppels worden gevangen in de groeven en de kanaaltjes. Een bergduivel hoeft alleen een paar kauwbewegingen te maken om het water naar zijn bek te laten stromen.

Als-ie meer wil, schuifelt hij vroeg in de ochtend nog eens langs bedauwde planten zodat de druppels op zijn rug vallen. Omslachtig misschien, maar het werkt zeker! Bergduivels kunnen een jaar of twintig oud worden door hun fantastische overlevingstechnieken.

Deze bergduivel was een cadeautje voor onze crew, we hadden alle tijd om schitterende beelden te maken. Vandaag kunnen we met nieuwe energie nog even door!