Nieuws/Lifestyle
3567099
Lifestyle

Reportage

Museumdroom Kees Thijn (86) werkelijkheid

Of hij de oudste museumdirecteur van Nederland is? Kees Thijn moet lachen om die vraag. Op zijn 86e bestiert hij, samen met het bestuur en een enthousiaste groep vrijwilligers, museum Thijnhof in Coevorden. Portret van een (levens)kunstenaar.

Lang en statig wandelt Kees Thijn (86) door ’zijn’ museum. Her en der wordt hij aangeklampt. Of er straks kan worden gefilmd, of dat ene schilderij wel op de goede hoogte hangt, hoe het zit met de bezetting van de receptie? Thijn wijst ondertussen in het rond en houdt stil bij een zelfportret waarop hij met een heuse Dalí-snor staat afgebeeld.

„Zo’n snor heb ik een tijdje gehad. Maar ik had zo’n moeite om telkens die snorpunten omhoog te krijgen en te houden dat ik ’m maar weer heb afgeschoren”, glimlacht hij. Serieus is hij bij de schilderijen van zijn vrouw die, na zware jaren van Alzheimer, in 2004 overleed. Hij wijst: zij wordt in verschillende werken verbeeld door een mooie strakke vaas waaruit langzamerhand steeds meer stukken verdwijnen tot nog een enkele scherf resteert.

Wat bezielt iemand van ruim in de tachtig om een eigen museum te beginnen? Want dat is het Coevordense Thijnhof, met negen zalen op 800 vierkante meter. Een voormalige muziekschool, doorgebroken zodat de verschillende ruimtes een fraaie doorkijk bieden, de strakke muren in vers grijs stucwerk. De grootste zaal hangt vol met schilderijen van Thijn in zijn symbolisch-realistische stijl, de andere zalen worden in beslag genomen door vaste, maar ook wisselende tentoonstellingen van regionale kunstenaar.

Van oorsprong is Kees Thijn specialist: radioloog, daarnaast later ook hoogleraar in Groningen. Maar hoewel zeer hardwerkend, was hij niet zo’n arts die met oogkleppen op in het ziekenhuis rond draafde. Thijn had altijd een open oog voor de wereld om zich heen en begon in 1966 te schilderen.

Hij vertelt in de ’bestuurskamer’ van het museum. Grijs stekeltjeshaar boven een donkerblauwe trui, een beetje afstandelijk, pas vol enthousiasme als het over zijn kunst en het museum gaat.

„Het grappige is dat mijn manier van schilderen wellicht voortkomt uit de radiologie. Vanuit mijn vak moest ik heel nauwkeurig op details in röntgenfoto’s letten. Die concentratie op details heb ik ook voor mijn schilderwerk gebruikt. Daarnaast vertel ik graag een verhaal. Over leven en dood, wederopstanding en nieuw leven. In de schilderijen gebruik ik daarvoor symbolen zoals bloed, de opgaande zon, een hart of een vergane appel. Een gave appel is saai, een appel met vlekken of verdwenen stukken is veel interessanter om te schilderen.”

"Op 82e (!) nam Kees Thijn initiatief in Coevorden"

Bovendien is Thijn ook nog eens dol op dieren en de natuur, wat ook in zijn werk terugkomt. Jarenlang woonde hij samen met zijn vrouw op een boerderij in Tynaarlo. Op een stuk grond van 8800 vierkante meter hield het paar damherten, ezels, kalkoenen, pauwen, parelhoenders en kippen. Ook weer inspiratie voor zijn schilderwerk waarmee hij vele malen in Nederland exposeerde, maar ook in Miami en New York.

„Hoewel ik soms schilderijen verkocht, had ik uiteindelijk toch zo’n 250 werken staan. Als je ouder wordt, ga je denken: wat moet ermee gebeuren als ik dood ga? Ik wilde mijn drie dochters er niet mee opzadelen, maar vond het ook zonde ze ergens in een donkere hoek te laten verstoffen. Tegelijkertijd wist ik via het Drents Schildergenootschap waarvan ik jarenlang voorzitter ben geweest, dat er in deze regio weinig plek is om serieus te exposeren.”

Een en een was twee, en Thijn begon rond te kijken of er een plek was om een eigen museum te starten. Dat was drie jaar geleden en hij was toen 82, maar dat zag hij niet als een bezwaar. „Ik ben gelukkig nog gezond. Je moet weten wat je al dan niet aankunt. Ik ben natuurlijk nooit van plan geweest om zelf achter de receptie te gaan staan!”

„Ik had het geluk al snel over een groep bevlogen vrijwilligers te mogen beschikken. De taken zijn bovendien goed verdeeld in een bestuur waarin naast ikzelf nog vier anderen zitting hebben, onder wie een jurist, een financieel deskundige en een oud-wethouder. Er is een fonds in het leven geroepen zodat het museum ook na mijn dood kan voortbestaan.”

De ideale plek werd uiteindelijk gevonden in de voormalige muziekschool in Coevorden die al twee jaar leeg stond. „Ik had daar al een tijd een oogje op, maar soms moet je even geduld hebben en op het juiste moment toeslaan. De gemeente was erg coöperatief, ook omdat we hier in de regio weinig verwend zijn qua musea. Gerrit Horstmann, de voormalig directeur van het Drents Museum, is een enorme steun geweest bij de verwezenlijking.”

Subsidie krijgt het museum niet, behoudens kleine bijdragen van enkele fondsen. Hoewel Thijn vaak gekscherend als museumdirecteur wordt aangeduid, is hij officieel alleen initiator en secretaris van het bestuur. „We zijn namelijk een stichting. Het bizarre is dat eigenlijk iedereen zomaar een bordje met ’museum’ op de deur mag spijkeren. Wij willen echter kwaliteit bieden, reden dat we ons bij het Museumregister gaan laten registreren. Daarvoor moet je aan strenge normen voldoen.”

"Expositie over schoonheid Drenthe trok 2500 mensen, echt heel veel"

Handenvol werk dus. Kees Thijn geeft glimlachend toe dat hij het misschien heeft onderschat. „Ik ging altijd graag een maand naar het buitenland om te schilderen, maar dat zit er momenteel bijna niet in.” Maar hij is in zijn element: „Naast mijn eigen schilderijen hangt hier werk van twee andere vaste kunstenaars, Henk Bloemhof en Jan van den Brink.”

„De rest wisselt; zo hadden we laatst een expositie van meer dan honderd werken van kunstschilder Bernard van Dulmen Krumpelmann over de schoonheid van Drenthe. Daar kwamen in acht weken 2500 bezoekers op af, heel veel voor zo’n klein museum. We hebben soms ook een meet & greet met kunstenaars. Ik merk dat in deze regio behoefte is aan zulke activiteiten en ben blij dat wij ze kunnen bieden.”

Privé kreeg hij flinke klappen te verduren. Toen hij na de dood van zijn vrouw, een slepend proces van Alzheimer, een nieuwe liefde had gevonden, overleed ook zij. „Aan de gevolgen van kanker. Dan voel je je als arts eigenlijk extra machteloos.” Het verdriet verwerkte hij ook nu in schilderijen vol met symbolen rond leven en dood. Ook zijn drie dochters komen in de vorm van drie vlinders vaak terug.

Schilderen doet Thijn vooral in zijn zomerhuis nabij Ommen, maar hij is net terug van een rondreis door Marokko. „Zolang het je qua gezondheid is gegeven, moet je nieuwsgierig blijven naar wat het leven heeft te bieden. Ik ben heel trots op dit museum, hoewel ik er in het begin voor terugdeinsde toen men voorstelde het Thijnhof te noemen. Nu het een tijd draait, vind ik het eigenlijk wel mooi. Net als schilderen is het toch een manier van voortbestaan.”

Ruim helft musea klein

Marketingbureau EM-Cultuur doet regelmatig onderzoek onder maar liefst 1100 musea in Nederland, inclusief de instellingen die bijvoorbeeld alleen op afspraak open zijn. In totaal werd deze grote groep musea in 2018 door 39,3 miljoen mensen bezocht.

Zo’n 55 procent is een klein museum met jaarlijks tussen 100 en 10.000 bezoekers. Middelgroot (37 procent) staat voor 10.000 tot 100.000 bezoekers en groot (8 procent van het totaal) voor meer dan 100.000.

Volgens EM-Cultuur werd het Rijksmuseum vorig jaar het best bezocht met 2,2 miljoen bezoekers, op de voet gevolgd door het Van Gogh (2,1 miljoen). Het Anne Frank Huis volgt op afstand met 1,3 miljoen, vervolgens het Eye Filmmuseum (711.000) en het Stedelijk (695.000), alle vijf in Amsterdam.