Nieuws/Lifestyle
569573437
Lifestyle

Gevluchte Hongaar Tomas Nagy kan iedereen leren schilderen

Zonder talent een mooi schilderij maken… Het kon bij Bob Ross zaliger, het kan bij Tomas Nagy. Twintig jaar geleden begon hij z’n ’school’ Art Partout, afgeknapt als hij was op Nederlandse kunstacademies waar ze met verf smeten. Met hulp van de oude meesters schiep hij z’n eigen succesvolle, realistische fijnschilderfilosofie. Onze verslaggever schildert mee.

Foto’s: René Bouwman

De drie kersjes op de levensgrote voorbeeldfoto glimmen de beginnende schilder tegemoet. Grote meester Tomas Nagy (73), directeur en oprichter van kunstacademie Art Partout, schuift een ovaal houten plankje in zijn richting met drie horizontale kleurvakken en een flinterdun potloodtekeningetje van het na te schilderen fruit.

De schets staat er al, is dat wel helemaal eerlijk? Nagy: „Zelfs Johannes Vermeer maakte niet zelf z’n schetsen, maar gebruikte daarvoor camera obscura. Ook Carel Willink heeft zelden zelf getekend, dus je bent in goed gezelschap.”

Serieus: „In zo’n proefles hebben we maar twee uur de tijd en we willen wel dat je met een heus schilderijtje de deur uit gaat, vandaar alvast dit opzetje.”

„We beginnen met rode verf voor de kersen, daarna zwart met een beetje rood voor de schaduwen. Nee, ik maak geen kunstenaar van je, dat moet je zelf doen. We leren je de techniek van het fijnschilderen zoals de oude meesters het deden. Dit is een ambacht. Iedereen kan het leren.”

Leek

Dat moet de beginner vertrouwen geven als zijn lekenhand een penseel met een puntje rode verf richting het nog tamelijk maagdelijke ’doek’ brengt. Laat het wonder der schepping van drie kersjes beginnen, denkt hij in het Utrechtse filiaal van de Academie voor Realistische Schilderkunst.

Een paar dagen eerder, in het Deventer hoofdkwartier van Art Partout, de beginnende schilder nog in de rol van stukjesschrijver. Niet zonder trots gidst Tomas Nagy ons langs de leslokalen. Duizend cursisten tellen de zeven vestigingen van zijn twintig jaar oude academie en per september komt er, door coronanood geboren, een digitale lestak bij.

Een imperium ontsproten aan het wonderlijke levensverhaal van een Hongaar die voor de Sovjet-dictatuur naar Nederland vluchtte. Negen jaar was Tomas Nagy toen hij op de hoek van de straat moest kijken of er Russische militairen aankwamen wanneer zijn vader in de slaapkamer naar het verboden Radio Europa luisterde. Kwamen de Russen, dan rende kleine Tomas naar huis en verdween de radio onder het bed.

Het bedrijf van senior (’Iets met autobanden’) werd ingepikt door de machthebbers en toen in 1956 de opstand van het Hongaarse volk bloedig werd neergeslagen, vluchtte het gezin Nagy naar het vrije westen. Zó halsoverkop dat Tomas’ broertje – ruim 400 kilometer verder op bezoek bij z’n opa en oma – moest achterblijven. „M’n vader had de kogel gekregen als we waren gebleven.”

Elf jaar zagen de broers elkaar noodgedwongen niet. Tomas waande zich een creatief vreemd eendje in een waterrijk polderland. „Gelukkig leerde ik snel Nederlands, maar in het begin communiceerde ik via m’n tekeningen.”

Hij studeerde marketing, begon in Deventer een stadskrant met vijf edities, ging een ambitieus reclamebureau runnen, maar altijd was er die drang om te schilderen wat hij zag. Die artistieke uitlaatklep dreef hem naar verscheidene kunstacademies en telkens kwam hij teleurgesteld weer buiten.

„Het waren de jaren 70; schilderen was op die scholen vooral een kwestie van spetteren en smijten met verf. Ik wilde fíjn schilderen, realistisch, maar als je dat hardop zei, was je een paria.”

Kennis

In België vond Nagy iemand die hem het ware ambacht wilde leren, later haalde hij de wijsheid van de oude meesters uit boeken. Totdat hij zoveel kennis had verzameld dat hij zelf een lijvig boek kon schrijven. Het werd twintig jaar geleden de aanleiding voor zijn academie met als motto: je hebt geen talent nodig om plezier aan schilderen te kunnen beleven.

Een soort Bob Ross dus, Tomas Nagy, maar dan compleet anders. „Ross had een techniek waarmee hij iedereen landschappen kon laten schilderen, ik richt me op het fijnschilderen, de moeder van de schilderkunst.”

„Of het succes me heeft verbaasd? Nee, want ik voelde dat ik – vreselijk cliché – een gat in de markt had ontdekt. Na de uitbraak van de coronacrisis ben ik een halve dag lichtelijk in paniek geweest. Toen wist ik: de oplossing ligt in digitale cursussen, maar dan wil ik het aanpakken zoals we hier schilderen: perfectionistisch, met oog voor detail.”

Zwaar

„Voor het nieuwe lesmateriaal hebben we 62 onderwerpen nageschilderd. Als het me moeilijk wordt gemaakt, ben ik op m’n best. Door mijn zware jeugd in Hongarije heb ik geleerd om van een achterstand een voordeel te maken. Ik weet wat het is om te knokken.”

Terug in de Utrechtse schilderlokalen van de academie, waar docent Karin Beers haar tweedejaars studenten – met een gemiddelde leeftijd van circa 65 jaar, aangezien ouderen meer tijd hebben om zich volledig op de schilderkunst te storten – technieken bijbrengt waarmee ze meer out of the box kunnen schilderen. „Als je hier Van Dyck opdoet, wordt het smoezelig”, klinkt haar stem.

Pardon? Beers: „Van Dyck was een grote meester die zo vaak bruin gebruikte dat ze olieverf met die kleur naar hem hebben genoemd.”

Ze maken al prachtige werken, de tweedejaars, zelfs al een portretje van Rembrandt. Na de appeltjes (opdracht vijf in het eerste jaar) en de theedoek kunnen ze drijvend op de aangeleerde klassieke technieken meer hun fantasie gebruiken. De belegen studenten hebben er overduidelijk lol in. „Ik heb ook veertien jaar lang schildervakanties in Hongarije georganiseerd; met z’n allen in een busje naar de Balkan”, zegt Nagy.

De tot beginnend schilder gepromoveerde stukjesschrijver zit voorlopig nog wel vast aan de drie kersjes, met – o goddelijk voorrecht – Tomas Nagy als privémeester. Eerst een laagje acrylverf (’Droogt snel, dus kunnen we verder’), dan het materiaal waarmee de academie normaal gesproken uitsluitend werkt: olieverf. Nagy: „Blijft dagen nat en is dus perfect om na een tijdje nog accenten in aan te brengen.”

Lampje

„We gaan wat licht op de kersen werpen”, zegt hij. „Druk met je penseel een kloddertje witte verf op een rood vruchtje. Voorzichtig uitwrijven en kijk...” Warempel, alsof een lampje is gaan schijnen op het kersje. De kunstenaar in de dop als meester van het licht, 350 jaar na Rembrandt.