Nieuws/Binnenland
1045639
Binnenland

‘Ze hadden me gewaarschuwd: begin nooit aan een jonge vriendin’

Pingpongballen

Journalist Bert Dijkstra legt elke week zijn oor te luister in het sluimergebied tussen man en vrouw.

Aan de rimpels in z’n nek te zien moet de man ver in de vijftig zijn, met z’n kledingkeuze poogt hij er een stuk jonger uit te zien. Iets te nonchalante spijkerbroek, shirt met V-hals, verweerd leren jack. Zuchtend schuift hij z’n billen op de barkruk naast me. “Klotezooi,” mompelt hij en bestelt een grote pils. “Ze hadden me gewaarschuwd: begín nooit aan een jonge vriendin. ’t Sekst lekker, maar de bakken ellende krijg je er gratis bij. Ik dacht: met mijn Petra is het anders. Weliswaar helemaal leip van alles wat met klassieke muziek heeft te maken, maar niemand is perfect, toch?” Hij neemt een slok en kijkt me aan met ’n droefgeestige hondenblik. “Ze doet haar best maar, met die Bach van haar. Af en toe veins ik interesse in dat gejammer en dan zit ik weer een tijdje gebeiteld. Tot vanavond dus.” Hij gebaart naar de barkeeper: doe hier nog even wat in. “Ze wilde me verrassen, zwaaide met twee kaartjes voor de Stopera.

Het Na-ti-o-na-le Bal-let, godbeter’t. Daar zat ik dan, in zo’n rode stoel. Die trippelende meisjes vielen eigenlijk wel mee. Best knap om op je tenen zo’n beetje een halve Elfstedentocht af te leggen en bovendien zagen ze er, hoewel zo plat als een dubbeltje, nog redelijk lekker uit ook. Maar toen kwam dus die gozer in z’n veel te strakke maillot; een soort venter van pingpongballen. Dat kereltje was de enige man in ’t kippenhok, maar alles behalve hanig, als je begrijpt wat ik bedoel. Hij had liever haantjes om zich heen, zeg maar. En toch uitsloverig heen en weer staan te dribbelen tussen die meiden… Kreeg ik daar dus hoog en droog vreselijk de slappe lach. Begonnen al die uitgestreken smoelwerken sssstttttt te sissen en kreeg ik een venijnige por van Petra in m’n zij.” Hij pakt een programmaboekje uit z’n jas. “Kijk, zo had ik dat ventje kennelijk moeten zien: ‘Een jonge, dromerige poëet, die wordt omringd door zijn muzen.’ Voor mij was hij dus gewoon een verdwaalde nicht. Maar goed, na een tijdje ging ’t gordijn dicht. En weer open. Al die types buigen. Gordijn dicht. Weer open. Nog meer gebuig. Gordijn dicht. Dan denk je toch: mooi, afgelopen. Ik dus met gezwinde spoed de trap af richting uitgang. Schreeuwde Petra achter me: ‘Lul, waar ga je heen, er komen nog twee dansen. Ach, rot ook maar op, ik hoef je nooit meer te zien.’” Hij kijkt me strak aan. “Denk je dat ik er nog in kom, vanavond?” Een beklemmende stilte vult de bar. “Klotezooi,” zegt hij. “Heb ik weer: genaaid door een haan in een maillot.”