1063687
Binnenland

UWV wordt concurrerend

Vandaag heeft het UWV de parameters bekend gemaakt van de gedifferentieerde premies voor de Werkhervattingskas. Vorige jaren ging het om uitsluitend de gedifferentieerde WGA-premie voor werknemers met een vaste dienstbetrekking, maar door de nieuwe wet Beperking Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid Vangnetter (BeZaVa) is er vanaf 2014 sprake van 3 componenten voor de gedifferentieerde premie van de overkoepelende Werkhervattingskas.

 

Deze drie componenten zijn

  • gedifferentieerde WGA-premie voor werknemers met een vaste dienstbetrekking,
  • gedifferentieerde WGA-premie voor (ex-)werknemers met een flexibele dienstbetrekking
  • gedifferentieerde Ziektewetpremie voor (ex-)werknemers met een flexibele dienstbetrekking.

 

Een tweede wijziging is de wijze waarop de premievaststelling afhankelijk is van de loonsom van het bedrijf. Tot 2014 was sprake van of grote of kleine werkgevers. Dit was afhankelijk of de loonsom van het bedrijf meer of minder dan 25 keer de gemiddelde loonsom was. Vanaf 2014 zijn er drie soorten werkgevers met ieder een andere wijze van premievaststelling: klein (tot 10 x de gemiddelde loonsom), middelgroot (tussen de 10 en 100 keer de gemiddelde loonsom) en groot (meer dan 100 keer de gemiddelde loonsom).

  • De premievaststelling voor kleine werkgevers is helder: een vast premiepercentage afhankelijk van de sector waarin het bedrijf is ingedeeld (er zijn 69 verschillende sectoren!).
  • Voor middelgrote werkgevers is de premie een gewogen gemiddelde van de betreffende sectorpremie en van de eigen cijfers van het bedrijf. Hoe kleiner het bedrijf hoe zwaarder het sectorgemiddelde meetelt en hoe dichter het bedrijf bij 100 keer de gemiddelde loonsom zit, des te zwaarder tellen de eigen cijfers van het bedrijf.
  • Voor grote werkgevers is net als vorige jaren de premie afhankelijk van de eigen cijfers van het bedrijf in het refertejaar (2012).

Omdat deze column te weinig ruimte biedt om uitgebreid op alle parameters in te gaan, beperk ik mij tot de belangrijkste conclusies.

Voor alle premies geldt de formule Premiepercentage 2014 = rekenpercentage met een opslag of korting.

De opslag of korting is het verschil tussen het individueel werkgeversrisicopercentage (uitkeringslasten in 2012 gedeeld door de gemiddelde loonsom) en het landelijk gemiddeld risicopercentage en wordt versterkt door een correctiefactor.

Op deze wijze gelden voor 2014 voor grote werkgevers de volgende formules voor de gedifferentieerde premiecomponenten van de Werkhervattingskas (Voor middelgrote werkgevers wordt deze formule pro rata gedeeld met de sectorpremie om tot de uiteindelijke premie te komen en voor kleine werkgevers geldt het sectorpremiepercentage).

WGA-vast = 0,51% + ((individueel werkgeversrisicopercentage – 0,27%) x 1,44)

WGA-flex = 0,18% + ((individueel werkgeversrisicopercentage – 0,02%) x 2)

ZW-flex = 0,34% + (( individueel werkgeversrisicopercentage – 0,10%) x 2)

 

WGA-vast:

De belangrijkste conclusie voor deze premiecomponent is dat de premies gemiddeld lager zullen uitvallen dan in 2013. Dit kan blijken uit een korte vergelijking van de formules. In 2014 daalt het rekenpercentage als basis voor de premie, stijgt het gemiddeld werkgeversrisicopercentage waardoor minder snel een opslag volgt en daalt ook de correctiefactor die de opslag of korting op het rekenpercentage versterkt:

Premie 2013 = 0,54% + (( individueel werkgeversrisicopercentage – 0,23) x 1,78)

Premie 2014 = 0,51% + ((individueel werkgeversrisicopercentage – 0,27%) x 1,44)

Rekenvoorbeeld:

Uitgaande van een gemiddelde loonsom van € 3.500.000 en een uitkeringslast van € 30.000 in het refertejaar was de premie in 2013 1,66% (= € 57.970) en is in 2014 1,36% (= € 47.442). Een daling van bijna 20%! Voor kleine werkgevers gelden nu de sectorpremies en die zijn in veel sectoren hoger dan de minimale premies in 2013. Voor middelgrote werkers is het premieverschil tussen 2013 en 2014 afhankelijk van de omvang (was het in 2013 een groot of klein bedrijf) en sector. Het gaat te ver omdat op deze plek inzichtelijk te maken.

WGA-flex:

Voor deze groep was een werkgever in 2013 na afloop van een tijdelijk dienstverband nog niet verantwoordelijk en is geen vergelijking mogelijk. Ook kan geen vergelijking met de concurrerende private markt worden gemaakt, omdat het pas vanaf 2016 voor deze groep mogelijk is eigenrisicodrager te worden. Wel kan worden geconcludeerd dat de premiehoogte voor grote (en middelgrote) werkgevers afhankelijk is van de uitkeringslast in 2012 voor de (ex)werknemers van de werkgever. Hiervan ontvangen de werkgevers later dit jaar nog een opgave van het UWV. Door de correctiefactor die is vastgesteld op 2, betekent dit dat het voor werkgevers heel veel uitmaakt of een uitkering aan een ex-werknemer terecht of onterecht door het UWV wordt toegewezen. Dit betekent nl. een extra grote opslag of korting op het rekenpercentage van 0,18%. Hier is dus een oproep op zijn plaats aan deze werkgevers om goed na te (laten) gaan of een WGA-uitkering in 2012 aan een flexibele dienstbetrekking terecht is/wordt toegekend aan de betreffende werkgever. Dit kan een fors bedrag aan WGA-flexpremie uitmaken. Ook hier geldt dat voor kleine werkgevers de premie een vast percentage per sector is.

Ziektewet-flex:

Voor dit risico werd voorheen, onafhankelijk van de eigen uitkeringslast, een vast percentage per sector vastgesteld. Nu wordt de premie afhankelijk van het totaal van door het UWV aan de werkgever toegerekende Ziektewetuitkeringen met een eerste uitkeringsdag in 2012. Ook hier geldt dat, afhankelijk of het individuele risicopercentage van de werkgever boven of onder het gemiddelde percentage komt (0,1%), er een opslag of korting op het rekenpercentage (0,34%) komt. Deze opslag of korting wordt net als bij de WGA-flex premie versterkt met een factor van 200% door de correctiefactor. En ook hier geldt dat een wel of niet terecht toerekende uitkeringslast heel veel geld voor de werkgever kan uitmaken. Een gedegen controle van de UWV-uitgangspunten is dus een vereiste. Verschil met de WGA-flex is dat een werkgever wel eigenrisicodrager voor de Ziektewet kan worden in de wetenschap dat de gedifferentieerde Ziekwetwetpremie gebaseerd is op de uitkeringen in het refertejaar 2012 toen het bedrijf nog geen verzuimbeleid had voor uit dienst getreden werknemers. Er is dan al sprake van een opslag als het individuele risicopercentage  boven de 0,1% komt! En deze opslag wordt nog eens met 200% versterkt door de correctiefactor van 2.

Rekenvoorbeeld:

Uitgaande van een gemiddelde loonsom van € 3.500.000 en een uitkeringslast in het refertejaar van € 12.000 is de premie 0,83% (= € 28.900 premie tegenover een uitkeringslast in 2012 van € 12.000!). Ter vergelijking: voor een klein bedrijf in de sector detailhandel geldt onafhankelijk van de toegerekende uitkeringslast een sectorpremie van 0,56%. Voor zakelijke dienstverlening is dit sectorpercentage 0,27%.

Samengevat:

Geconcludeerd kan worden dat vooral voor de nieuwe risico’s van flexwerkers een gedegen controle van de door het UWV verstrekte Ziektewet- (en nog te verstrekken WGA-flex-) toerekeningsbrieven en waar mogelijk een succesvol bezwaar richting UWV voor de werkgever veel geld kan besparen. Niet alleen voor de Ziekwetpremie, maar ook voor de WGA-premie. Hiervoor is nadere informatie van het UWV noodzakelijk die heeft aangegeven extra tijd hiervoor nodig te hebben.  2 oktober is de uiterste datum waarop het eigenrisicodragerschap bij de Belastingdienst moet zijn aangevraagd en dat is op deze wijze onhaalbaar. Uitstel door de minister van deze datum lijkt mij een logische stap!