1065792
Nieuws

We hebben een economische visie nodig, anders blijft het doormodderen

Prinsjesdag biedt geen hoop op herstel. Deze week bereikte Rutte 2 een akkoord over de begroting voor 2014. De inhoud van het ombuigingspakket van €6 miljard is tot Prinsjesdag nog 'geheim'.Wel zijn er veel maatregelen uitgelekt, waaronder nieuwe lastenverzwaringen op burgers en bedrijven. Voor onze economie, die dit jaar met een krimp van ruim 1% tot de slechts presterende van Europa behoort, betekent deze extra bezuinigingsronde een nieuwe klap. Daardoor zal het verwachte prille herstel van 0,75% groei in 2014 in de kiem worden gesmoord. Volgend jaar lopen we het risico van stagnatie of zelfs weer krimp. Ook voor de komende jaren zien wij met het bestaande beleid weinig perspectief op groei.

De komende Prinsjesdag biedt geen hoop. Het zal gaan over koopkrachtplaatjes, over vervelende bezuinigingen, lastenverzwaringen, over banenplannen. Over alles, maar niet waar het echt over moet gaan: over de toekomst van onze economie, onze welvaart en onze plek in de wereldeconomie. Nederland heeft een visie nodig op de economische en maatschappelijke toekomst. De coalitie van VVD en PvdA maar ook de oppositie zouden antwoord moeten geven op belangrijke vragen, zoals welke samenleving willen we en hoe realiseren we extra economische groei. Hoe scheppen we banen en hoe wordt de werkloosheid aangepakt. En hoe slagen we er in met een nieuw fundament voor onze economie ook in de toekomst een welvarend land te blijven. Zonder een duidelijke visie met een concreet plan van aanpak blijven we doormodderen en lopen we de kans op een langdurig verblijf in de economische achterhoede van Europa.

We zijn een welvarend land maar wel met veel sombermansen

Gesomber lost niets op. Bovendien zijn onze uitgangspunten goed. Nederland behoort tot de meest welvarende landen van de wereld, we hebben een sterk bedrijfsleven en een goed opgeleide beroepsbevolking. Daarnaast behoren we tot de wereldtop op het terrein van de volksgezondheid, sociale zekerheid en pensioenen. En de knelpunten dan? Die zijn er inderdaad. Maar wij kennen geen land dat problemen zo weet uit te vergroten als Nederland en daarbij vergeet dat bijna alle landen in de wereld vandaag nog met ons willen ruilen. Uit nationale en internationale studies komt een beeld naar voren van een Nederland dat ondanks zijn rijkdom en welvarendheid, vooral wordt bevolkt door sombermansen en waar chagrijn een vorm van levensvreugde lijkt te zijn.

Deze onderzoeken bieden ons geen medicijn, maar stellen wel vast dat voor die somberheid geen goede redenen zijn te bedenken. Ze bevatten ook de waarschuwing dat economie voor een belangrijk deel psychologie is; opgewekte landen komen eerder uit het dal dan sombere landen die zich zelf de put in praten. Dit zouden we op Prinsjesdag moeten bedenken als we massaal politiek Den Haag en Europa de schuld geven van 'onze misère'.

We hebben een visie op de toekomst nodig

Waar we ons wel zorgen over moeten maken, is het gebrek aan visie op onze toekomst en de zwakke punten van onze economie die steeds zichtbaarder worden. Mede door de vele kabinetswisselingen (vijf in tien jaar) en de politieke polarisatie zijn noodzakelijke hervormingen achterwege gebleven. De belangrijkste zwakke punten die in deze visie aangepakt moeten worden, vatten we hier kort samen.

Urgente binnenlandse knelpunten zijn de slecht functionerende woning- , bouw- en huurmarkt en het lage niveau van de consumentenbestedingen. De economische groei in Nederland wordt eveneens afgeremd door de relatief lage arbeidsproductiviteit, de gestegen lastendruk en knelpunten op de arbeidsmarkt. Zo heeft ons land te kampen met een groot tekort aan lager, middelbaar en hoger opgeleiden technische vakkrachten en ICT’ers. Dit tekort, zal naar verwachting de komende jaren oplopen tot meer dan 150.000 personen. Deze ontwikkeling werkt remmend op de productie en innovaties van ons bedrijfsleven en kan er toe leiden dat ondernemers zich in andere landen gaan vestigen.

Knelpunten die de groei belemmeren

Volgens de OESO wordt onze groei belemmerd doordat Nederlandse werknemers te weinig uren maken. De gemiddelde Nederlandse werknemer werkt het minste aantal uren per jaar in de Europese Unie. Dit komt vooral doordat in ons land veel werknemers in deeltijd werken. Nederlandse vrouwen zijn wereldkampioen deeltijdwerken.

Daarnaast signaleert de OESO dat internationaal gezien de loonkosten voor ouder werknemers in Nederland te hoog zijn. Dat leidt tot een toenemende werkloosheid onder deze groep. Die toename zien we eveneens bij jongeren met een zogenoemde ‘pretopleiding’.

De afgelopen jaren zijn, mede door buitenlandse overnames, verschillende hoofdkantoren van middelgrote internationale ondernemingen uit Nederland verdwenen. Dit betekent niet alleen een verzwakking van de structuur van onze economie, maar ook een verlies aan hoogwaardige banen. Daarom moet ons land actiever gaan werven. In Azië zien we bedrijven die snel groeien en wellicht op termijn een vestiging in Europa overwegen. Wacht dat niet af, maar ga actief op zoek naar deze snelle groeiers en benader ze nu al met een aantrekkelijk voorstel en begeleiding voor een vestiging in Nederland.

Werk maken van de digitalisering

Politiek Den Haag en ons bedrijfsleven hebben te weinig oog voor de geweldige kansen op groei die het internet biedt. De razendsnelle opmars van de online wereld zal het komende decennium diep ingrijpende gevolgen hebben voor bedrijven, voor onze economie, werkgelegenheid en internationale concurrentiekracht. Wij moeten daarmee snel aan de slag anders missen we de boot.

Voor onze economie is ook een goede infrastructuur van groot belang. Volgens de OESO is congestie momenteel een belangrijk probleem van de Nederlandse economie. Congestie leidt naast directe kosten zoals files, vertraging en reisongemak tot een minder goed functionerende arbeidsmarkt.

Voor de motor van de Nederlandse economie, de export, deelt de OESO een waarschuwing uit. Onze export is te veel gericht op traditionele, markten in Europa en Noord-Amerika. Exporterende bedrijven zouden zich meer moeten richten op opkomende economieën. Bovendien is ons exportpakket voor een deel verouderd, we moeten met nieuwe producten en diensten komen.

Internationaal moet Nederland zich zorgen maken over het onderwijsniveau en het research en innovatieklimaat. In vergelijking met landen die koplopers op deze terreinen zijn lopen we een achterstand op.

De overheid moet kleiner en efficiënter worden

Het beslag van de overheid op onze economie was begin 2013 meer dan 50% van ons BBP. Rond 2000 zaten we op ruim 45%. Door deze stijging is ook de lastendruk (belastingen en premies) toegenomen en dat remt de groei en verzwakt onze internationale concurrentiekracht. Daarom moeten zowel dit beslag als de lasten op burgers en bedrijven omlaag. Daarbij zou gestreefd kunnen worden naar het uitgavenniveau van 45% rond 2000. Tegelijk kan dan een nieuwe afweging worden gemaakt over de verschillende uitgaven. Onderstaande tabel maakt duidelijk dat het onontkoombaar is dat op de nog steeds groeiende uitgavenposten collectieve zorg en sociale zekerheid fors bezuinigd wordt. Gezien het grote (economische) belang van onderwijs en om internationaal aansluiting te vinden bij de wereldtop, zou deze post 6%/7% van ons BBP moeten zijn, in plaats van 5,4 % nu.

Collectieve overheidsuitgaven 1980-2012 in % BBP

 

 

1980-84

1985-89

1990-94

1995-99

2000-04

2005-09

2010

2011

2012

Totaal collectieve uitgaven

58.4

58.5

56.1

49.8

45.8

46.0

50.7

49.8

50,6

Openbaar bestuur

10.7

10.7

11.0

10.6

10.7

10.3

10.7

10.7

10.7

Veiligheid

1.3

1.2

1.2

1.4

1.6

1.8

2.0

1.9

1.9

Defensie

2.8

2.6

2.2

1.6

1.3

1.2

1.2

1.1

1.1

Infrastructuur

1.6

1.5

1.4

1.5

1.7

1.7

1.9

1.7

1.7

Onderwijs

6.5

5.9

5.5

5.0

5.0

5.1

5.5

5.4

5.4

Collectieve zorg

4.7

5.0

5.8

5.9

6.7

8.5

9.8

10.3

10.6

Sociale zekerheid

18.9

17.8

16.9

13.1

11.4

11.2

12.7

12.8

13,0

Overige

7.0

7.9

6.2

5.8

4.5

5.0

4.2

3.9

3.9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rente

4.9

6.0

5.9

5.0

3.0

2.3

2.7

2.0

2,0

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Staatsschuld

53.9

72.7

77.0

69.0

51.9

48.3

63.1

65.5

71.4