1071137
Binnenland

Roemenen schamen zich voor de Kunsthalroof

Roemenen schamen zich voor de Kunsthalroof. „Ons land is te schande gemaakt in de hele wereld door cultuurbarbaren.” En: „Dit zal gevolgen hebben voor de toetreding van Roemenië tot de Schengen-landen”. Met deze koppen typeren Roemeense media de gevolgen van de roof van zeven meesterwerken uit de Rotterdamse Kunsthal in oktober van vorig jaar.

Het enige dat wellicht het tij nog kan doen keren, is het alsnog opduiken van één of meerdere doeken, in ongeschonden staat. Maar of dat laatste gaat gebeuren is uiterst onzeker.

Dinsdag staan de plegers van 'de kunstroof van de eeuw' voor het eerst voor de rechter in de Roemeense hoofdstad Boekarest. Een van de zes verdachten wordt nog steeds gezocht.

Vijf verdachten wordt onder meer inbraak, diefstal en medeplichtigheid daaraan ten laste gelegd. De moeder van een van de verdachten wordt verantwoordelijk gehouden voor het verbergen van de kunstwerken. Zij bekende de zeven schilderijen te hebben verbrand in haar woning in Oost-Roemenië, maar trok die bekentenis later weer in.

De drie feitelijke inbrekers en kunstrovers leken geen idee te hebben van wat ze in de nacht van 15 op 16 oktober in de Rotterdamse Kunsthal van de muur gristen. Ze hadden de schilderijen gekozen op formaat: het moest in de door hen meegebrachte plastic boodschappentassen passen. Ze wilden de werken in Roemenië zien te verkopen voor 50.000 euro, terwijl de waarde ruim 10 miljoen euro bedraagt.

Eenmaal in Roemenië werden er geen kopers gevonden, hoe zeer er ook met de schilderijen werd geleurd. De tijd verstreek en daarmee sloot het net zich rondom hen. „Verdomme, dit is hel. We zitten hartstikke vast', meldt hoofdverdachte Radu Dogaru aan een van zijn handlangers, via een afgeluisterde telefoon eind januari, zo staat te lezen in de politieverhoren. „We moeten er vanaf. We steken ze in de fik.”

Drie dagen later, op 21 januari, werd hij samen met zijn kameraden opgepakt. De schilderijen waren op dat moment begraven op de begraafplaats van het dorpje Carcaliu.

De moeder van de hoofdverdachte bekende de politie in de nacht van 13 februari uit wanhoop alle schilderijen in de kachel te hebben opgestookt. „Ik hoopte dat ze mijn zoon dan niets meer zouden kunnen maken.” Later trok ze die bekentenis is.

Wanneer de rechtbank toch overtuigend bewezen acht dat de schilderijen door haar verbrand zijn, kan ze rekenen op een gevangenisstraf van rond de 20 jaar. Tenzij er op de valreep nog kunstwerken zullen verschijnen. De advocaten van de verdachten hebben daar alle vertrouwen in, zo lieten ze vorige week weten.