Nieuws
1086044
Nieuws

Column Vincent van der Vinne: Biobrandstoffen zijn geen alternatief

Afgelopen zaterdag werd in De Telegraaf aandacht besteed aan noodzakelijk onderzoek voor de ontwikkeling van biomassa. Biobrandstof werd aanvankelijk gestimuleerd als een oplossing voor de toenemende uitstoot van CO2. Met de afnemende winning van conventionele olie en de stijging van de olieprijs wordt biomassa ook een alternatief voor olie genoemd. Veel hoeft men daar niet van te verwachten.

100.000 paarden

Oorspronkelijk vond al het vervoer over landwegen met spierkracht plaats. Mensen en dieren liepen om afstanden te overbruggen en de benodigde energie daarvoor kwam van het land. Namelijk in de vorm van voedsel. Dat betekende dat de mobiliteit op landwegen werd beperkt door de hoeveelheid voedsel dat werd verbouwd. Men kon niet zomaar 100.000 paarden extra inzetten om karren te trekken. Dan kwam de voedselvoorziening voor de mensen zelf in gevaar.

De stoomtrein doorbrak de koppeling tussen landgebruik en mobiliteit. De treinen reden op steenkolen. Daardoor konden veel meer mensen en goederen sneller en over grotere afstanden vervoerd worden. Bovendien kon dat veel goedkoper dan met paard en wagen. Vandaar dat de mobiliteit tussen 1850 en 1920 in bijvoorbeeld ons land sterk steeg.

Kinderspel

Dit was echter kinderspel bij wat er daarna volgde. Met de komst van de auto (en later het vliegtuig) zou de mobiliteit nog veel meer toenemen. Nooit eerder beschikten we over zo’n sterke energiebron, dat zo gemakkelijk vervoerd kon worden en die bovendien steeds goedkoper werd. In 1900 reisde de Nederlander gemiddeld circa 200 km per jaar, in 2000 was dat meer dan 10.000 km per jaar. We zijn niet de enige. Ook in andere Westerse landen heeft vanaf 1900 een zeer sterke groei in de mobiliteit plaatsgevonden. Momenteel vindt in landen zoals China een explosieve groei in de mobiliteit plaats.

Is eenzelfde omvang van de mobiliteit ook met de inzet van biobrandstof mogelijk? Met biobrandstof wordt de koppeling hersteld tussen mobiliteit en grondgebruik. Het was juist de ontkoppeling die de mobiliteit explosief deed stijgen. Herstel van die koppeling is onmogelijk. In de eerste plaats zou een zeer groot oppervlak in gebruik moeten worden genomen voor de aanmaak van biomateriaal, zoals bijvoorbeeld gewassen en bomen (dit geldt ook voor algen). Wanneer zo’n groot oppervlak wordt gereserveerd voor de aanmaak van biomateriaal, concurreert dat met ander gebruik van de grond. Om het Nederlandse wagenpark op biobrandstof te laten rijden, hebben we een groter grondgebied nodig dan ons land groot is. Uitwijken naar het buitenland heeft weinig zin, want ook andere landen kampen met dat probleem. Bovendien zal de aanmaak van biomateriaal, net als vroeger, concurreren met ander grondgebruik. De aanplant van bomen heeft daarnaast het nadeel, dat het enige jaren vergt voordat deze groot zijn (boompje groot, plantertje dood). Op korte termijn heeft men daar niet veel aan.

Biobrandstoffen kunnen, zoals ik al eerder schreef, zodoende hooguit voor een klein deel in onze brandstofbehoefte voorzien. Dat ooit auto’s, vrachtwagens, landbouwtractoren en vliegtuigen massaal gebruik zullen maken van biobrandstof is een illusie.