Nieuws/Binnenland
1090027
Binnenland

Overgang van een onderneming & pensioen

Dat de overgang van een onderneming de gemoederen bezig blijft houden, blijkt wel weer uit een uitspraak van de kantonrechter in Utrecht van 12 juni j.l.

Niet alleen de deelnemer kan zich beroepen op de beschermende bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, maar, zo is de kantonrechter van oordeel, een verplicht bedrijfstakpensioenfonds kan dat ook.

Deelname aan een verplicht bedrijfstakpensioenfonds is een arbeidsvoorwaarde die bij overgang van onderneming overgaat op de verkrijger.

Een bedrijfstakpensioenfonds kan dus na de overgang van onderneming rechten ontlenen aan artikel 7:663 BW. Daarmee wordt de verkrijger verplicht tot betaling van de achterstallige premies ten aanzien van de overgenomen deelnemers. Dat is dus een extra reden om uitermate goed na te gaan in hoeverre er op het moment van overname sprake is van achterstand in de premiebetalingen. Dit kan immers van invloed zijn op de overnamesom.

Voor de deelnemers vormt deze bevoegdheid van het bedrijfstakpensioenfonds een extra zekerheid. Want als pensioenfondsen steeds meer worden geconfronteerd met werkgevers die niet betalen, maar waarvan de werknemers toch als deelnemer geregistreerd moeten worden, met alle daarbij behorende rechten van dien, dan is het bedrijfstakpensioenfonds op termijn genoodzaakt te korten op de aanspraken wegens een tekort in de premie-inkomsten.

Schoonmaakbranche

De kwestie die bij de kantonrechter in Utrecht speelde, deed zich voor in de schoonmaakbranche. Een branche met een hoog personeelsverloop en veel korte contracten. Een enorme administratieve last voor de werkgever derhalve.

In dit geval ressorteerde de koper onder het verplicht gestelde Bedrijfstakpensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf. De koopovereenkomst werd in het voorjaar van 2008 gesloten. De koper betaalde vanaf dat moment de pensioenpremies voor de overgenomen deelnemers aan het Bedrijfstakpensioenfonds.

In 2011 verstrekt het bedrijfstakpensioenfonds aan de koper een opgave van de totale achterstand in premies van de verkoper aan het bedrijfstakpensioenfonds. Daar is de koper het niet mee eens en stapt naar de rechter. De koper is van mening niet (meer) gehouden te zijn tot betaling van de achterstallige premies van de verkoper. De koper stelt zich op het standpunt dat het bedrijfstakpensioenfonds geen rechten kan ontlenen aan artikel 7:663 BW (wat bepaalt dat de pensioenrechten bij een overgang van onderneming overgaan op de koper). Dat zou een bepaling zijn die alleen ziet op de bescherming van de werknemer. En, zo stelt de koper, behoort een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioen niet tot ‘de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst’ als bedoeld in artikel 7:663 BW en ziet dat artikel slechts op de pensioenaanspraken die zijn gebaseerd op een tussen werkgever en werknemer tot stand gekomen pensioenovereenkomst.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt, dat wil er op grond van de wetgeschiedenis van de Pensioenwet geconcludeerd kunnen worden dat er gesproken mag worden van een pensioenregeling, dat er dan sprake moet zijn van een koppeling met de arbeidsrelatie. Bij het verplichte bedrijfspensioen is die koppeling met de arbeidsrelatie gebaseerd op de fictie dat de individuele werkgever en de individuele werknemer de pensioenregeling zijn overeengekomen.

Ook vanuit het Toetsingskader Wet Bpf 2000 wordt bevestigd dat het bij een verplicht bedrijfspensioen gaat om een arbeidsvoorwaarde en niet om een regeling waarbij de hoogte van de premie en de daar tegenoverstaande aanspraken van de werknemer, zonder bemoeienis van de werkgever en werknemer bij wet is bepaald. Een arbeidsvoorwaarde dus. En die gaan bij overgang van een onderneming over op de verkrijger, inclusief de verplichting om de voor de overgang van onderneming onbetaald gebleven premies af te dragen.

Schutznorm

Artikel 7:663 BW is geschreven als Schutznorm voor de werknemers c.q. deelnemers. Kan een bedrijfstakpensioenfonds daar dan dus zomaar rechten aan ontlenen? Jawel, oordeelt de kantonrechter. De verplichting tot betaling van de pensioenpremie door de werkgever maakt deel uit van de arbeidsovereenkomst en is onlosmakelijk verbonden met het recht van de werknemer op pensioen. Niet-betaling van de premies vormt daarom een aantasting van het te beschermen recht van de deelnemer. Als alleen de werknemer rechten aan het artikel kon ontlenen, zouden de deelnemers dus de werkgever moeten gaan aanspreken. En dat kan niet de bedoeling zijn.

Want inmiddels heeft de Hoge Raad op 3 februari 2012 geoordeeld, dat bij het verplichte bedrijfspensioen als uitgangspunt geldt dat onbetaald blijven van de pensioenpremie er niet toe mag leiden dat geen pensioen wordt uitgekeerd, zodat de deelnemers dus niet snel een vordering jegens de werkgever wegens het onbetaald gebleven zijn van de pensioenpremie zullen instellen. Ze krijgen toch hun pensioen wel. Maar de deelnemer, ik schreef het hierboven al, heeft echter wél belang bij het feit dat de premies toch betaald worden. Indien er namelijk structureel door werkgevers geen premies aan het bedrijfstakpensioenfonds worden afgedragen zal dat uiteindelijk leiden tot een aantasting van de pensioenrechten. Lees: er zal gekort worden op de aanspraken.

Onderken risico's

Deze uitspraak van de kantonrechter toont maar weer aan, dat het op alle fronten van belang is om het pensioenhoofdstuk bij een overname heel goed te inventariseren en de risico’s te onderkennen. Zeker in een branche als de schoonmaak met een hoog verloop onder het personeel, zijn de risico’s groot.

Meer weten of vragen? Stel ze via: www.pensioensos.nl