Nieuws
1136794
Nieuws

10 vragen over de Europese begroting

Om de zeven jaren wordt in Brussel een fel gevecht gevoerd over wat 'Europa' mag kosten. Er staan astronomische bedragen op het spel en het prestige van veel regeringsleiders.  Hier een uitleg in via 10 vragen.

De Engelsen gloreren zoals gewoonlijk in hun rol als notoire dwarsligger. Maar ook Nederland is uiterst kritisch over de miljardenuitgaven van Brussel. In december klapte een deal maar nu moeten de EU-leiders er voor het weekend uitkomen.  De 27 regeringsleiders buigend zich daarbij over de vraag hoeveel 'Brussel' van 2014 tot 2020 mag uitgeven en waaraan.

 

1. Waarom heeft Europa een eigen begroting ?

 

Het geld is in feite een soort contributie voor het EU-lidmaatschap en nodig voor de uitvoering van het Europese beleid en betaling van de Europese ambtenaren en instellingen.

 

2. Hoeveel geld is met de Europese meerjarenbegroting gemoeid ?

 

In de huidige meerjarenbegroting, die van 2007 tot 2013 loopt gaat het om zo´n 1000 miljard euro, ongeveer 1% van het totale economische product van de 27 EU-lidstaten.

 

3. Wie brengt dat geld op ?

 

De bijdragen hangen voor een belangrijk deel af van de economische kracht van de EU-landen. Onder meer het nationaal inkomen en de btw- en douaneinkomsten bepalen de contributie. Rijke lidstaten betalen verhoudingsgewijs veel. Arme landen betalen minder en ontvangen ontvangen bovendien tal van subsidies, van landbouw tot de aanleg van infrastructurele projecten.

 

 

4. Wat is een nettobetaler ?

 

Een aantal landen maakt jaarlijks meer geld over naar Brussel dan dat er via de programma´s terugvloeit. Nederland zit in de top van deze nettobetalers. Ons land draagt per saldo iets meer dan 2,2 miljard per jaar af. Daar is reeds een korting van 1,2 miljard inbegrepen.

 

5. Waar wordt het geld voor gebruikt ?

 

Het meeste geld gaat naar landbouwbeleid (40%) en projecten die de groei van Europa moeten bevorderen (35%). Het overige geld gaat onder meer op aan buitenlands beleid, justitie, infrastructuurprojecten en de administratie (ambtenaren en kantoren)

 

6. Hoeveel geld wil Brussel de komende zeven jaar ?

 

De Europese Commissie heeft hoog ingezet met een stijging van 5%, vooral ook omdat men de economie wil aanzwengelen. Dit lijkt echter onhaalbaar. Netto-betalers als Duitsland en Nederland willen 100 miljard minder. Groot-Brittannië en Zweden willen een totale bevriezing van de uitgaven, rekening houdend met inflatie betekent dat een korting met 150 miljard.

 

7. Iedereen wil veel vangen en minder betalen ? 

 

Landen die veel geld uit Brussel krijgen zijn tegen beperking van budgetten. Zo willen Frankrijk en andere Zuid-Europese landen hun miljarden aan landbouwsubsidies behouden. Terwijl landen die veel betalen juist een korting willen. Legendarisch is de voormalige Britse premier Margaret Thatcher, die in 1984 een fikse korting voor Engeland bedong met de tekst 'I want my money back'. Ook Nederland haalde zeven jaar geleden een korting van 1,2 miljard euro binnen. 

 

8. Wat staat voor Nederland en Mark Rutte op het spel ?

 

Mark Rutte moet in ieder geval de korting van 1,2 miljard ook voor de komende zeven jaar veilig stellen. Daarnaast zal een stijging van het EU-budget in eigen land moeilijk te verkopen zijn, zeker nu burgers en bedrijven de broekriem fors moeten aanhalen.

 

 

9. Hoe moeilijk wordt het een akkoord te bereiken ?

 

EU-diplomaten en politici zijn sceptisch, of een compromis gaat lukken. In 1999 en 2005 waren meerdere rondes nodig, hoewel de meningsverschillen toen kleiner waren dan nu. Het zal er keihard aan toegaan en sommige diplomaten verwachten dat de finale besprekingen in december drie dagen en nachten gaan duren.

 

10. Kan Groot-Brittannië alles blokkeren ?

 

Een Europese begroting is pas akkoord indien alle landen zich er achter scharen. Zeven jaar geleden was Groot-Brittannië toevallig ook halfjaarlijkse voorzitter van de EU, waardoor ze verantwoordelijk waren voor het slagen van de onderhandelingen. Dit keer kan makkelijker met een veto worden gedreigd.

 

DFT 2012 / Ronald van Gessel / Herman Stam