1145030
Nieuws

Ons loongebouw moet gemoderniseerd worden

Volgens de economen Willem Vermeend en Rick van der Ploeg moet het Nederland loongebouw moderner worden ingericht. Jongeren moeten meer en ouderen minder verdienen.

Loonsverlaging voor ‘dure’ ouderen

Deze week baarde het automatiseringsbedrijf Capgemini opzien met het bericht dat oudere, ‘te dure’, werknemers loon moeten inleveren, tot 10 procent van hun salaris om ontslagen te voorkomen. Volgens de bestuursvoorzitter van Capgemeni is het verschil tussen hun marktwaarde voor het bedrijf en hun beloning te groot geworden. Door het inleveren van een stukje salaris zouden deze werknemers hun werkkring kunnen behouden. De vakbonden hebben onmiddellijk woedend gereageerd. Ze vinden dat de economische crisis, waar ook Capgemini last van heeft, ten onrechte wordt afgewenteld op oudere werknemers.

Anderen, zoals sommige jongere organisaties, hebben minder moeite met deze handelwijze en merken op dat de oudere generatie is ingestapt toen de bomen nog tot in de hemel groeiden en het voordeel hebben van vaste arbeidscontracten. Bovendien is de ict-industrie door de opmars van het internet zodanig snel veranderd dat jongere werknemers in veel gevallen productiever zijn dan de dure oudere vakkrachten. Deze jongeren krijgen naar het oordeel van deze organisaties te weinig betaald, terwijl door de vaste contracten en de huidige ontslagbescherming in veel bedrijven ook een onevenwichtige leeftijdsbouw ontstaat.Meer verdienen als je ouder wordt

Omdat loonsverlagingen in ons land niet gebruikelijk zijn, is er nu volop discussie ontstaan. Daarbij komen ook weer algemene vooroordelen aan bod, zoals de veronderstelde lagere productiviteit, het hoger ziekteverzuim en de lagere motivatie van ouderen binnen bedrijven. Hoewel deze vooroordelen in de praktijk allang zijn weerlegd, worden oudere werknemers daarmee toch vaak geconfronteerd. Daar moeten we eindelijk eens mee ophouden. In het licht van de nog steeds toenemende internationalisering van onze economie en arbeidsmarkt is het zinvoller naar het Nederlandse loongebouw te kijken en te bezien of er aanpassingen nodig zijn. In ons land is het gebruikelijk dat het salaris stijgt naarmate de leeftijd van werknemers hoger ligt. Wie ouder wordt gaat, tot een bepaald plafond (de eindschaal) veelal meer verdienen. De belangrijkste reden daarvoor is meer ervaring.

Critici van dit systeem merken terecht op dat de toegevoegde marktwaarde van ervaring in het arbeidsproces lang niet altijd aantoonbaar is. Bovendien zal die waarde door razendsnelle nieuwe bedrijfsontwikkelingen kleiner worden. Het huidige salarisstelsel waarbij de lonen en loonkosten voor het bedrijfsleven automatisch stijgen naarmate het werknemersbestand ouder wordt, is internationaal gezien steeds moeilijker te handhaven. Dit automatisme moet doorbroken worden. Voorlopig tekent de minister van Sociale Zaken nog altijd elk jaar een wet die alle cao’s algemeen verbindend verklaart. Zonder deze steun zouden de relatief hoge salarissen van een groot deel van de oudere werknemers al lang naar beneden aangepast zijn.

We moeten op zoek naar een loonsysteem dat enerzijds meer rekening houdt met de marktwaarde van werknemers voor het bedrijf, maar tegelijk ook met de levensfase en rechtspositie van werknemers. Dat zal veel voeten in de aarde hebben. In 2010 heeft toenmalig minister Donner daartoe een vruchtenloze poging gedaan. Hij zei toen dat de werkloosheid van veel vijftig en zestig plussers mede het gevolg is van te hoge salariskosten en daarom verlaagd moeten worden.

Donner wees er tevens op dat in veel andere landen oudere werknemers minder verdienen dan in Nederland. Daardoor ontwikkelt het loongebouw zich daar vlakker en is de leeftijdsopbouw in bedrijven evenwichtiger. Op zich is deze constatering juist, maar wij tekenen daarbij wel aan dat startende en jongere werknemers in het buitenland veelal beter betaald worden dan hier. Daardoor neemt de kans toe dat onze jonge talenten naar andere landen vertrekken. Ook dat is een reden om het Nederlandse loongebouw te moderniseren.Demotie

Donner oogstte forse kritiek van de vakbeweging en de werkgevers die liever geen ruzie met de bonden hebben, hielden zich stil. Al in 1996 heeft het Centraal Planbureau (CPB) de knuppel in het hoenderhok gegooid met een publicatie waarin werd aangetoond dat veel ouderen een zwakke positie op de arbeidsmarkt hebben omdat de arbeidsprestatie niet in verhouding staat tot hun beloning. Het CPB bepleitte toen de introductie van demotie in het loongebouw.

Daarbij gaat het er om dat bij de oudere leeftijdsgroep van werknemers in het loongebouw de mogelijkheid wordt ingebouwd van een herwaardering van de ‘marktwaarde’. Dit kan leiden tot een lager salaris dan wel tot een andere functie binnen het bedrijf in een lagere loonschaal. In Angelsaksische landen in landen als Korea en Japan wordt dit al geruime tijd toegepast. Door de opstelling van de bonden is demotie tot op heden geen strijdpunt geweest op de cao-tafels.Modernisering van ons loongebouw

Gezien de mondialisering van onze economie en arbeidsmarkt en de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven is het nodig dat in het Nederlandse salarisstelsel met deze ontwikkeling meer rekening gaat gehouden. Dat is ook in het belang van de arbeidsmarktpositie van ouder werknemers. Zonder aanpassingen wordt hun positie verder verzwakt en de kans op een baan kleiner. Acties als die van Capgemini, die ongetwijfeld navolging zullen krijgen, bieden geen structurele oplossing. Daarom zou de vakbeweging er goed aan doen om met de werkgevers aan tafel te gaan zitten over een modernisering van ons loongebouw. Daarbij kan dan tegelijk gesproken worden over een betere beloning van startende en jongere werknemers.

Zo kan rekening worden gehouden met het feit dat deze werknemers in een levensfase verkeren dat ze veelal meer (gezins)kosten hebben dan de oudere categorie werknemers. Ook om een andere reden is een dergelijk overleg tussen werknemersorganisaties en werkgevers nodig. Op de huidige arbeidsmarkt is er sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod, zoals een groot gebrek aan technisch personeel op alle niveaus. Bovendien wordt vooral door de komende pensioneringsgolf over een aantal jaren,na 2016, een algemene krapte op de arbeidsmarkt voorzien, waardoor de vraag naar jong, oud, man en vrouw over de gehele linie zal toenemen. Die krapte vraagt om slimme bij-, her- en omscholingsprogramma’s waarover werkgevers en werknemers afspraken moeten maken.

Deze programma’s bieden tevens de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan een versterking van de positie van oudere werknemers. Daardoor zal hun marktwaarde toenemen en de kans op demotie afnemen. Daarnaast zien wij in veel landen een toename van regelingen waarbij voor het gehele werknemersbestand het vaste loon minder snel stijgt en dat in de plaats daarvan iedere werknemer mee gaat delen in de winst van het bedrijf. Bedrijven met dit soort regelingen, waarbij een deel van loonkosten mee ademt met het reilen en zeilen van de onderneming, zijn beter bestand tegen de steeds scherpere internationale concurrentie. Ook die trend moet  meegenomen worden naar het polderoverleg.

Het grootste voordeel van het Nederlandse loongebouw is dat werknemers een zekere commitment hebben en langer bij een bedrijf blijven omdat ze dan later kunnen doorgroeien naar een hoger loon. In de VS en in mindere mate het VK verdienen in veel sectoren jongeren veel meer dan oudere werknemers. Relatief hoge salarissen voor jonge werknemers past in the ‘global war for talent’. Zonder modernisering van ons loongebouw zou het wel eens veel moeilijker kunnen zijn voor Nederland om haar internationale concurrentiepositie te behouden en te versterken.

Rick van der Ploeg is hoogleraar economie in Oxford en hoogleraar politieke economie aan de UvA. Van 1998 tot 2002 was hij PVDA-staatssecretaris in het kabinet-kok II. Van der Ploeg studeerde economie aan de Universiteit van Sussex en promoveerde in 1981 bij de Universiteit van Cambridge. Hij heeft circa 100 publicaties op zijn naam staan met onder meer de titels ‘Is de econoom een vijand van het volk?’ en ‘een schaap in wolfskleren.'

Willem Vermeend is internetondernemer en bijzonder hoogleraar Economics and E-Business aan de Maastricht School of Management ( MSM). Daarnaast vervult hij diverse bestuursfuncties en commissariaten bij nationale en internationale bedrijven, waaronder Randstad. Vermeend had ook een actieve rol in de politiek. Vanaf 1994 tot 2002 was Vermeend PVDA-staatssecretaris van Financiën en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de kabinetten Kok I en II. Hij schreef diverse boeken, zoals de Kredietcrisis, de Wij-Economie en de Wereld van het Internet.