Nieuws/Binnenland
1171958
Binnenland

4000 kilometer met een camper

Canada voor beginners

Met de camper door Canada of Amerika... Hoe vaak hoor je die, veelal door ouders uitgesproken wens niet om je heen. Onze verslaggever, wars van kamperen, trok de stoute schoenen aan en toerde met vrouw en twee kinderen drie weken lang door de overweldigende natuur van West-Canada. Een reis om nooit meer te vergeten…

Na een verplicht én verkwikkend nachtje in een airport hotel in Vancouver, worden we vroeg in de ochtend opgehaald door de camperverhuurder. Het is nog een uurtje rijden naar het verhuurstation in Abbotsford, waar we direct de veelgeprezen vriendelijkheid van de Canadezen meemaken. We worden bijna als oude vrienden onthaald en het voelt al snel goed. Tot we met een grote glimlach door de Nederlands sprekende verhuurder Willem Kok worden meegetroond naar onze camper.

We schrikken ons een hoedje bij de aanblik. Een tien meter lange ’vrachtwagen met ramen’ glimt ons tegemoet. De gigantische camper lijkt net een bus en we vragen ons direct af of we hier niet een groot rijbewijs voor nodig hebben. Niet dus, gewoon lekker vakantie vieren en genieten, vindt de verhuurder terwijl hij ons rondleidt door ons mobiele paleis.

Het kan niet op!

Een groot tweepersoonsbed boven de stuurcabine; een ander helemaal achterin; de bank kan tot bed worden omgetoverd, net als de zithoek, die overigens als zogenaamde slide out met een druk op de knop naar buiten schuift, waardoor er binnen nog meer ruimte ontstaat. Een douche, apart toilet, keuken met driepits-fornuis, oven, magnetron, ijskast, vriezer, airco... Het kan niet op, maar wij maken ons vooralsnog alleen maar zorgen hoe we met dit bakbeest overweg moeten.

We ruimen snel de koffers en tassen in de overvloedige opbergruimtes en rijden met kloppend hart de parkeerplaats af. Eerst maar eens proviand inslaan en niet ver van het verhuurstation is een supermarkt, waar we zonder kleerscheuren aankomen. Direct merk je de voordelen van een land waar ze gewend zijn aan pickup-trucks en campers. De parkeerterreinen bij de winkelcentra en supermarkten zijn groot genoeg om ons gevaarte eenvoudig te stallen en rustig boodschappen te doen.

Vriendelijkheid ten top

Ook nu treffen we weer vriendelijkheid ten top. De caissière regelt bij het afrekenen direct voor ons een kortingspas van de keten, waardoor we al zestig dollar op onze eerste aankopen besparen; een ouder echtpaar ooit geëmigreerd uit Friesland spreekt ons aan en op het parkeerterrein roept een wildvreemde Canadees tijdens het voorbijrijden ons toe of we toch vooral een prachtige vakantie willen hebben.

Het eerste ritje houden we bescheiden. We hebben besloten voor het gemak de route aan te houden die touroperator Go Canada ons suggereerde en de eerste stop is Harrison Hot Springs, zo’n zeventig kilometer verder. Een mooi tochtje om te wennen. En dan blijkt al snel hoe soepel zo’n camper rijdt. De automaat kent een V10 benzinemotor, dus power genoeg. Verraderlijk is het ook. Als je inhaalt en je even afgeleid wordt, stuur je te snel terug en druk je door je lengte een ander zo van de weg. Opletten dus.

Toeristentrekpleister

Het dorpje aan het meer blijkt een toeristentrekpleister van de eerste orde, dat een wandelingetje waard is. Onze camping ligt daar even buiten en als we het terrein oprijden zetten we onze roadtrain maar even op de eerste plek die er het eenvoudigst uitziet om achteruit in te parkeren. De beheerder is in geen velden of wegen te bekennen en we besluiten alles maar alvast aan te sluiten.

Zo moet de waterslang worden aangesloten, zodat je vers water gebruikt en niet de voorraad die in je tanks zit. En de elektriciteit sluiten we aan om de generator niet te hoeven starten. Hij maakt herrie en stinkt was ons verteld, dus gebruik ’m — en het water uit je tanks — alleen als je wild kampeert. Ook tref je bij je plek meestal een ondergrondse tank, waar je je toiletslang op aansluit. Door wat hendeltjes om te gooien loos je het toiletwater direct in de tank en rij je niet met een klotsende gierput onder de auto…

Na een nacht vol regen (in een camper is dat gekletter op het dak heel gezellig) vertrekken we de volgende dag vol goede moed voor onze eerste echte etappe van een paar honderd kilometer naar Osoyoos. Het regent nog veelvuldig als we door Manning Park rijden en de Allison bergpas van 1400 meter over moeten.

Het oerbos met z’n bomen van tientallen meters hoog en meters dik laten we links liggen. Het rijden met de rv is al inspannend genoeg. Enorme trucks scheuren je moeiteloos voorbij; de wind heeft veel vat op onze camper en we moeten heuvel op en af en dat alles vraagt zo’n eerste echte rijdag nogal wat van je stuurkunst.

Kraakhelder

De door ons beoogde camping in Osoyoos blijkt al vol te zitten en we kunnen terecht op een zogenaamd rv-park, 15 kilometer buiten het stadje. Bij aankomst weten we ook direct wat dát inhoudt: het zijn stroken asfalt met een reepje groen ertussen, waar de campers keurig in gelid naast elkaar worden geparkeerd. Privacy nul, maar er is water en stroom en de toiletten en douches zijn kraakhelder. Toch heeft het weinig met kamperen te maken en wij zullen de rv-parks proberen uit te sluiten de komende weken.

Al snel rijgen de dagen zich aaneen. We raken steeds beter ingespeeld op het camperleven. Iedere ochtend voor we wegrijden lopen we met de kinderen als piloten de checklist door die op de zonneklep is bevestigd. Is de elektriciteitskabel ontkoppeld en opgeborgen. De waterslang? De toiletslang weer op z’n plek, de afsluiters weer dicht? De slide-out naar binnen en vergrendeld? Het automatische treetje ingeklapt? De schakelaar van de koelkast om?

Dagelijks rijden we zo tussen de 200 en 350 kilometer; een schijntje in het enorme land. De highways blijken uitstekende tweebaanswegen, die heuvel op een derde strook kennen voor langzaam verkeer. En druk zijn ze nooit. Langs de weg zie je voortdurend borden die bezienswaardigheden aangeven.

Rocky Mountains

Maar met welke snelheid het verstandig is de komende bocht te nemen; dat het weer in de bergen verraderlijk én veranderlijk kan zijn; dat je stropers en vervuilers dient aan te geven (op iets uit je auto gooien staat 2000 dollar boete) en dat je zelfs iemand die gevaarlijk weggedrag vertoont moet aangeven... Gevolg is wel dat iedereen lekker rustig rijdt en het land brandschoon is!

Tijdens de etappes nestelen de kinderen zich in de ’zithoek’, spelen spelletjes, lezen wat of slapen. Maar wij voorin genieten ons gek van de voortdurend veranderende vergezichten. Na iedere pas kun je een compleet ander landschap treffen, omgeven door de Rocky Mountains. Daar tussendoor prachtige dorpjes als Greenwood, de ’smallest town in Canada’. In het voormalige kopermijnstadje blijkt veel nog zoals het rond 1900 was. De hoofdstraat oogt als een westernstadje, compleet met saloon, barbershop en drugstore.

Als we het enorme Kootenay Lake zijn overgestoken rijden we richting de nationale parken rond Banff en Jasper. We hebben heerlijk zomerweer en dat het voorjaar zo uitzonderlijk nat is geweest is voor ons alleen maar goed nieuws. Daardoor mogen we op bijna elke campsite een gezellig houtvuur maken.

Vast ritueel

Op je kampeerplek is daar meestal een vrachtwagenvelg voor in de grond ingegraven en kun je bij de opslagplaats zoveel houtblokken halen als je wilt. Vooral voor de kids begint het een vast ritueel te worden na het aansluiten van alle slangen en kabels. Terwijl zoonlief de bijl hanteert om de blokken tot aanvaardbare proporties terug te brengen, klapt onze dochter de barbecue uit en zorgt ervoor dat die alvast brandt.

Hoe verder we van de bewoonde wereld rijden, hoe mooier het wordt. Als we highway 93 opdraaien zijn we verkocht. Na Radium en de 1500 meter hoge Sinclairnpass, volgen we de Kootenay River en krijgen we een waar palet aan vergezichten, diepe dalen en schitterende besneeuwde ruige bergtoppen voorgeschoteld.

Na Kimberley, beroemd om z’n Beierse centrum dat een surrealistische aanblik biedt zo midden in Canada, belanden we in Banff. Het artistieke bergstadje aan de voet van Sulphur Mountain is een bekend wintersportoord en vooral de hotsprings zijn een toeristentrekker van de eerste orde. We huren fietsen en kano’s en bezoeken in twee dagen alle hotspots van dit aangename stadje.

Eindeloze bergketens

Als we dachten dat het niet mooier kon onderweg, blijkt dat een misvatting. De weg door de nationale parken naar nog zo’n bekend wintersportoord, Jasper, loopt via de Icefields Parkway. Het wordt het hoogtepunt van onze trip. De autoweg slingert zich langs eindeloze bergketens en levert het ene na het andere spektakeluitzicht op.

We komen langs het betoverend mooie Lake Louise, langs gletsjers als de Crowfort en Bow Glacier en de beroemde Colombia Icefields aan de voet van Columbia Mountain; een gletsjer met honderden meters dik ijs. Elke paar kilometer verwijst een bord aan de kant van de weg naar weer een waterval, een sprookjesachtig mooi blauw meer, een interessante wandeling of bijzondere bergtop. Het houdt niet op en het zou je dagen kosten om alle attracties te bekijken.

Vlak bij Jasper spotten we onze eerste beer, die doodgemoedereerd in het struikgewas langs de kant van de weg zit. Tientallen ’bermtoeristen’ volgen het beest met klikkende camera’s. Overal langs de weg of op de campings word je er voor gewaarschuwd. Geen eten buiten laten liggen, afstand houden, geluid maken… Als we de volgende ochtend aan het ontbijt zitten sjokt er een zwarte beer tussen alle tentjes en campers door naar de rivier.

'Beren op de weg'

In veel winkels kun je belletjes kopen en die aan je jas hangen als je een trail fietst of wandelt. De beren, zo leren we, zullen je namelijk alleen aanvallen als het een onverwachte confrontatie is. Maar als ze je horen aankomen zullen ze snel verdwijnen… Om er meer over te leren maken we richting Clearwater een stop bij River Safari. Op een snelle boot en met zo’n tien andere in regenkleding en zwemvesten ingepakte mede-opvarenden kruisen we een dik uur over Mud Lake en krijgen op de oevers en zelfs zwemmend heel wat beren voor de lens.

Nog veel meer eindeloze vergezichten leiden ons, via Whistler waar we het Olympic Park uit 2010 bezoeken, uit de parken weer de ’bewoonde’ wereld in als we richting Vancouver Island tuffen. Daar zullen we bijna een week verblijven met als belangrijkste opdracht walvissen spotten. Dat doen we in Tofino, een klein kunstzinnig hippie-achtig dorp aan de oceaan met veel Indiaanse invloeden van de Quamish.

Walvissen spotten

Naast walvistochten, waar vele aanbieders voor te vinden zijn, is de belangrijkste andere attractie rondvluchten maken. De kleine watervliegtuigen zoemen onophoudelijk heen en weer, terwijl daar tussendoor allerlei snelle zodiacs of langzame jachten vertrekken en aankomen vol met walvisspotters. Ook wij Gehuld in een overlevingspak vertrekken we op topsnelheid de baai uit op zoek naar die enorme zoogdieren in de oceaan.

Na een kwartiertje hebben we al beet. Gespannen volgen we een bultrugwalvis met een kalf, terwijl de camera’s klikken en piepen; vooral als de twee onderduiken en de gigantische staartvin van het achttien meter lange dier als laatste omhoog steekt. Bijna drie uur varen we rond en krijgen zoveel walvissen voorgeschoteld dat het bijna gewoon wordt…

De week vliegt voorbij en onze tijd zit er bijna op. Als we Victoria naderen, de hoofdstad van het eiland, balen we dat we de drukte weer ingaan. Helemaal als we richting de verhuurder in Abbotsford rijden en in de files rond Vancouver terecht komen balen we van de drukte. Het lijkt wel of we een virus hebben opgelopen; iedereen is stil en sombert wat voor zich uit. De weidsheid, de rust, de eindeloze bossen, de gigantische meren, ons rijdende huis… we willen het nog lang niet achter ons laten. Hier komen we zeker nog eens terug.