Nieuws/Binnenland
1177879
Binnenland

Consumptie: de sleutel tot welvaart

In januari klonk op deze plaats het beginsignaal van het ToonderJaar 2012; het is alweer tijd voor het eindsignaal.

Toen ik zeven was, namen mijn ouders voor mijn zusje en mij een abonnement op de Donald Duck. We schreven 1958. De Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen. De naweeën van vijf jaar bezetting waren nog voelbaar, maar de wederopbouw werd al krachtig ter hand genomen.

Willem Drees was minister-president. Onder zijn bewind was een jaar tevoren de aow ingevoerd. Wie 65 jaar werd trok, zoals de volksmond zei, voortaan van Drees. De uitdrukking 'trekken van Drees' bestond overigens al sinds 1947, toen Drees als minister van Sociale Zaken de Noodwet Ouderdomsvoorziening tot stand had gebracht, de voorloper van de aow.

Drees = Dreutel

Naar Drees wordt verwezen in het door Marten Toonder en anderen getekende en geschreven Koning Hollewijn-verhaal 'De holle appel'. In dit stripverhaal, in 1954 afgedrukt in De Telegraaf, is de koning een bejaarde werkloze, 'die niet van Dreutel trekt'. Drees = Dreutel: aan de teken- en schrijftafel in de Toonder-studio is het vast en zeker vrolijk toegegaan.

Van 'De holle appel' ben ik destijds verstoken gebleven. In 1954 was ik drie en nog geen lezer. In 1958 was ik dat wel. Het abonnement op de Donald Duck was zeer aan mij besteed. Elke aflevering van dit vrolijke weekblad bevatte een hoofdstuk uit een Tom Poes-verhaal van Marten Toonder. Telkens nam ik dat gretig tot mij, al moet de portee van de verhalen me zijn ontgaan.

In het eerste Tom Poes-verhaal waarmee ik langs deze weg mijn geest verrijkte, is een glansrol weggelegd voor professor Sickbock. Van de over hem gestelde overheid is deze boosaardige geleerde weinig onder de indruk: "Of ik aan het hoofd sta van het land? Neen! Dat gaat meestal niet samen met een ontwikkeld denkvermogen." Het is verleidelijk te veronderstellen dat Toonder Drees nadrukkelijk niet uitsloot van de diskwalificatie die hij Sickbock in de mond legde.Puinpoeier-crisis

Met deze column geef ik het officieuze eindsignaal van het ToonderJaar 2012. Onbetwist hoogtepunt van dit jubeljaar was de publicatie van Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Hazeu wijdt in zijn weldoorvoede studie bewonderende woorden aan het Toonder-verhaal 'De slijtmijt'. Toen ik Hazeu uit had, heb ik dat meteen uit de boekenkast opgediept.

Het is crisis in Rommeldam. Amos W. Steinhacker, een grootondernemer in de bouwsector die behoort tot de 'Bovenste Tien' van de stad, legt de vinger op de wonde plek: "We moeten meer slijtage hebben! Meer consumptie! Weggooi-huisjes; die verhogen de welvaart!"

Bovenbaas Steinhacker wil meer slijtage en krijgt die ook. Door toedoen van heer Bommel komen de slijtmijten in de wereld. Deze zogenoemde 'kadukevers' zijn verzot op beton en degraderen huizen en gebouwen binnen de kortste keren tot puinpoeier.

Dat gaat Steinhacker weer te ver. Een dolgedraaide slijtage (consumptie) leidt, zoals hij zegt, tot nieuwe malaise, een puinpoeier-crisis. Een list van Tom Poes maakt de slijtmijten ten slotte onschadelijk. Een mutant van de slijtmijt komt terecht in de Rommeldamse rivier, met als prachtig resultaat dat het vervuilingsprobleem wordt opgelost.Geld maakt niet gelukkig

Op Bommelstein toast men op de goede afloop. Het Rommeldamse leven heeft zijn normale loop hernomen. Amos W. Steinhacker wordt nog maar met moeite wijs uit de aandelenmarkt, maar kan het allemaal wat beter relativeren: "Ach", verzucht hij, een glas wijn naar zijn mond brengend, "geld maakt niet gelukkig; ik moet daar in voorkomend geval toch eens aan denken".

Deze column kwam tot stand in samenwerking met het Geldmuseum in Utrecht.