1202202
Binnenland

‘In plaats van een poetser hadden ze een patiënt aan boord’

Bootvluchteling

Presentatrice/journaliste Sandra Schuurhof schrijft elke week over haar boeiende bestaan. Deze keer blikt ze terug op haar eerste aankomst op Ibiza.

De eerste keer dat ik voet op Ibiziaanse bodem zette vergeet ik nooit meer: ik viel meteen flauw. Het was niet de schoonheid van het eiland of van de gemiddelde toerist die me te veel werd; ik was volkomen uitgeput en leeggekotst. En het begon zo mooi. Vrienden hadden een zeilschip gekocht en wilden daarmee de wereldzeeën bevaren. Ze zochten nog een paar hulpjes en ik was net uitgeloot voor de School voor Journalistiek en verveelde me te pletter. Een jaartje reizen leek mij ideaal en ik zegde meteen mijn huur op. Van zeilen wist ik - op een paar keer prutsen op de Kaag na - niets, maar dat zouden ze me wel leren. In de tussentijd kon ik koken en schoonmaken aan boord. Onder luid geklap en gejoel van vrienden en familie verlieten we de Scheveningse haven. Al na vijf minuten hing ik kotsend over de railing. “Je hebt toch geen last van zeeziekte?” informeerde de kapitein. Nu ik er eens goed over nadacht had ik me de weinige keren op het water - met bloedmooi weer - wel altijd misselijk gevoeld. En in de auto, als ik niet zelf stuurde, was het ook bal. Dat ik me dat nú pas realiseerde. Mijn vrienden probeerden me op te beuren: “Het gaat wel over, zelfs de meest ervaren matrozen hebben er soms nog last van.”

De eerste dagen zat ik doodstil op het dek te staren naar de horizon, ook slapen deed ik buiten. In plaats van een poetser hadden mijn vrienden een patiënt aan boord. Voorbij de Rots van Gibraltar was het gedaan met het mooie weer. Het stormde zó verschrikkelijk dat we in de kajuit moesten blijven. Het enorme schip werd door de golven opgetild en hard van links naar rechts geslagen, en ook al had ik dagenlang niet gegeten, ik blééf overgeven. Na verloop van tijd was iedereen aan boord hondsziek. Lethargisch lag ik in mijn kooi te wachten tot we zouden vergaan. Ik voelde me zo verschrikkelijk beroerd dat het me nog maar weinig kon schelen. En toen was de ellende ineens voorbij. De zon brak door, de wind ging liggen en in de verte doemde land op: Ibiza!

Totaal verzwakt, uitgedroogd op wiebelbenen, zette ik voet aan wal om meteen tegen de vlakte te gaan. De ambulance kwam eraan te pas en eenmaal bij kennis bezwoer ik iedereen die ’t horen wilde, NOOIT meer aan boord van welk schip dan ook te gaan. En daar heb ik me aan gehouden. Ik bleef een tijdje op Ibiza, twintig jaar geleden nog geen territorium van BN’ers, maar van artistieke geesten en de laatste hippies. In de wereldberoemde discotheek Pacha kreeg ik een baantje als danseres, in een kooi. Mijn tijd op het eiland was één grote roes, door het chronische slaaptekort, de drank, de afterparties en het overschot aan zon. ’s Nachts leven en overdag slapen. Dat zou ik nu niet lang meer volhouden, maar nog steeds kom ik elk jaar terug op Ibiza. Om te genieten van het mooie eiland, het lekkere eten, de aardige mensen. En om tenminste één nacht te stappen tot de zon weer brandt aan de hemel. Maar voor een zeiltochtje langs de prachtige rotskust bedank ik altijd vriendelijk.