Nieuws/Binnenland
125312
Binnenland

Schoonheid en pijn strijden om voorrang bij toerversie van Amstel Gold Race

’Aan m’n fiets kan geen vrouw tippen’

De liefde voor de fiets brengt Zuid-Limburg jaarlijks 100 miljoen euro in het toerismelaatje. Vandaag is de toerversie van de Amstel Gold Race, met 15.000 deelnemers en evenzoveel fietsers die vergeefs een startbewijs probeerden te krijgen. Wat beweegt al die fanaten?

Hein Runeman (74) zit in wielerkleding aan de stamtafel van fietshotelletje Le Baroudeur, schuin onder de Cauberg in Valkenburg. Zoals ieder voorjaar is hij, met z’n racefiets in de camper, vanuit woonplaats Amsterdam naar camping Den Driesch gereden, een stukje verderop. Hij had het zich zo mooi voorgesteld: in z’n 75e levensjaar nog een keer de toerversie van de Amstel Gold Race rijden en dan (zoals afgesproken) door naar de cardioloog om te laten zien dat het nog hartstikke goed met hem gaat.

Jaren geleden reed hij een trainingsritje toen zijn rikketik op hol sloeg. Met de hartslagmeter als bewijs in z’n hand stapte hij af bij het Amsterdamse Lucas Ziekenhuis en kon meteen blijven. De volgende dag stelde een specialist hem gerust: ’u heeft wat veel ex-topsporters ook hebben. Gewoon blijven fietsen, ik zie u over vier Amstel Gold Races terug.’ En nu is het zover. Even nog over die prachtige heuvels van Zuid-Limburg, even nog laten zien dat het oude lijf het nog kan en dan voor controle naar het Lucas. Maar helaas… Hein Runeman is uitgeloot. Dertigduizend fietsers hebben zich gemeld voor de toertocht van vandaag en van hen kunnen er niet meer dan vijftienduizend starten. Tikkeltje aangeslagen kijkt hij naar de immense foto aan de wand, van een peloton uit de dagen van Fausto Coppi. „Een lelijke streep door de rekening.”

Soms knaagt onrechtvaardigheid te venijnig. We bellen Leo van Vliet, koersdirecteur van de Gold Race. ’Kun je wat regelen?’ Een half uur later is hij er, met een startnummer voor Hein Runeman. „Mijn verhaal is kennelijk zielig genoeg”, glundert de Amsterdammer.

Pas na zijn pensionering stapte Runeman voor het eerst op een fiets, een hele oude uit het fabriekje van Jan Janssen. Sindsdien weet hij: „Zo’n helletocht zorgt voor de aanmaak van gelukshormonen.” Al snel reed hij, met een tentje in de bagage, van zijn huis naar Venetië. Hij beklom de Mont Ventoux van drie kanten en in zijn vaste overwinteraarsstek in de Algarve oefent hij dagelijks op een bergje van 500 meter hoog, bij Faro.

Is allemaal nog kinderspel vergeleken bij de inspanningen van Johan Scheele (65) uit het Limburgse Afferden, tegenover hem aan de stamtafel. Voor tochtjes onder de honderd kilometer komt hij zijn bed niet uit. Hij fietste naar Slovenië, 2400 kilometer heen en terug, heeft het wereldrecord lange afstand op de hometrainer (dertig uur onafgebroken pedaleren) en wil dit jaar nog door de magische grens van 10.000 klimkilometers, trappend voor een computerscherm.

„Ik ben getrouwd met m’n fiets, daar kan geen vrouw aan tippen”, zegt hij. Als het begint te kriebelen, belt hij Yvonne Lechanteur en Ivano Zwirs van Le Baroudeur. Slaapt hij in kamertjes met namen als Coppi, Anquetil of Merckx, met foto’s van de helden boven het bed. Le Baroudeur, pal aan het parcours van de Amstel Gold Race, was sinds 1880 een toeristenhotelletje, totdat het paar Ivano en Yvonne inspeelden op de stormachtige groei van het recreatieve fietsen. In het opkamertje hangen twee racefietsen van Leo van Vliet, zelfs het minibibliotheekje in de recreatieruimte staat volledig in het teken van wielrennen. Zwirs: „Jong, oud, rijk, arm, iedereen komt hier en allemaal mét fiets. Overdag rijden en ’s avonds komen de sterke verhalen aan de stamtafel.”

Al die fanaten komen ongetwijfeld ook voor de deur langs van fietsenmaker Jean Habets, in het goddelijk glooiende landschap bij Schin op Geul, tussen Keutenberg en Cauberg. Ex-prof Habets koos 27 jaar geleden deze stek bewust voor zijn zaak. Hij zag het steeds drukker worden, op een mooie zomerdag passeren duizenden fietsers. En vandaag, tijdens de toerversie van de Gold Race, wordt het weer een gekkenboel. „Zeker als het regent is het dweilen met de kraan open. Dan slijten remblokjes eerder, heb je meer lekke banden. We hebben hier doorweekte pechgevallen opgevangen met warme dekens.” En ook als het droog is: alleen de Keutenberg is op zo’n dag goed voor minstens tien derailleurs die door verkeerd schakelen dwars door de spaken slaan. „Soms staan ze met z’n tienen in de rij te wachten om te worden geholpen.”

En dan weer verder. Pijn lijden, totdat je wordt gekust door het gelukshormoon.

De heilige fietsgeest van vader, zoon en dochter

De fiets hing tien jaar als museumstuk aan de muur van de schuur. Een oude Giant, met het schakelmechanisme nog op het frame. Vader Henk gebruikte ’m niet meer. De tweewieler was nagenoeg versleten, Henk ook, dacht hij. Vijftiger inmiddels, hier en daar een pondje te veel. En toen kocht zoon Martijn een racefiets en zei: ’Pa, ga mee een stukje rijden, die van jou hangt nog aan de muur’.

En kijk nu, vele jaren later. Henk (63 inmiddels), voor wie de heuvels van Limburg ooit schier onbedwingbare natuurobstakels waren, gaat binnenkort met Martijn (37) en dochter Kirsten (34) zo’n beetje de smerigste aller bergen beklimmen: de Mont Ventoux.

Nog altijd op een Giant, al is die ouwe wel ingeruild voor een jongere. De herinnering aan z’n eerste tocht, door Zuid-Limburg, doet nog altijd pijn. „Ik háát heuvels, vooral die Cauberg is een kolereding”, zegt Henk.

Z’n eerste echte grote berg zal hij ook nooit vergeten: l’Alpe d’Huez. De familie Kleijn had een appartementje gehuurd, hoog in het Franse skidorp. Moesten ze eerst met de auto naartoe. Na drie bochten wist Henk het zeker: ’Hier ga ik dus mooi niet op een fiets naar boven’.

Hij ging toch, want dat is zo opvallend aan de fietsgekken des vaderlands: ze kennen allemaal de pijn van het afzien, ze verklaren zichzelf op gezette tijden voor gek, maar ze stappen altijd weer op. Loopt de weg vlak, dan kruipt Henk graag achter de brede rug van Martijn. Maar op die vermaledijde cols heb je niks aan een windscherm in de vorm van je zoon.

„’t Is belangrijk om nooit omhoog te kijken als je aan het klimmen bent”, zegt Henk. Martijn: „Op de flanken wordt de wereld om je heen opvallend klein. Die ene meter asfalt voor het voorwiel, meer is er niet.”

Zelf reed hij van Den Bosch naar de Stelvio, de berg van Coppi. Die vreselijke puist als toetje, iedere keer wéér zo’n steile rotbocht. „Maar je wilt niet afstappen, want dan ben je een mietje.” En waarop reed Kirsten haar eerste tocht? Op het museumstuk. „Van pa geleerd dat je ’t op een ouwe fiets moet leren, voordat je ’n nieuwe koopt.”

De kopman van Frits Barend heette Peter Post

Hij was van maandag tot en met vrijdag met z’n hoofd op tv in de talkshow Barend & Van Dorp en voetbalde op zaterdag bij Buitenveldert toen de legendarische Peter Post hem vroeg: „Waarom ga je niet fietsen?” Frits Barend (inmiddels 70) luisterde, want vragen van de grootste ploegleider aller tijden waren doorgaans nogal dwingend.

Op een herenfiets met drie versnellingen reed hij, uitgenodigd door Post en omringd door mede-BN’ers, z’n eerste tocht door het prachtige Zuid-Limburg: de Preuvene Tour, 125 kilometer heuveltje op, heuveltje af. „Laten we een racefiets voor je gaan kopen”, sprak Peter Post vervolgens en Frits Barend antwoordde: „Oké, maar dan wel eentje met een recht stuur.”

Want mannen van een zekere leeftijd hoeven niet meer zo nodig vol in de beugels van zo’n krom racestuur. „Dat stuur is speciaal voor mij gemaakt. Ik zou er nog graag mee willen fietsen, maar helaas, ze zijn nergens meer te krijgen.” Dus moest ook hij eraan geloven: op zijn huidige Specialized S-Works, met een elektronisch schakelsysteem, zit gewoon een krom stuur.

De teller staat voor de mede-eigenaar van het blad Helden op vijf keer de Amstel Gold Race voor toerfietsers. „Altijd weer prachtig, al blijft die Cauberg een akelige puist. In hou van fietsen in Limburg. Twee keer per jaar logeer ik in een Maastrichts hotelletje. Fiets ik de brug over, richting Valkenburg en dan linksaf de Cauberg op. Verschrikkelijk, zo zwaar. Profs vinden de Amstel Gold Race draaien en keren, ik vind ’m vooral slopend.”

Toen hij samen met goede collega Henk van Dorp dat praatprogramma nog had, was zijn dagindeling simpel: regelmatig

’s morgens met Post de polder in voor een ritje van zeventig kilometer en dan, na een verfrissende douche, met een heldere geest bezig met de voorbereiding op de show van ’s avonds.

Tegenwoordig rijdt hij in een zogenaamd sterrenteam, met mannen als de acteurs Bas Muijs en Chris Tates, oud-wielrenner Erik Breukink en ex-voetballer Johnny Rep. Loodzware cols beklimmen, meestal voor een goed doel.

Twee keer op een dag reed hij omhoog naar Alpe d’Huez, beklom de Mont Ventoux en de Stelvio en dat allemaal zonder een voet aan de grond. Met dank vooral aan de lessen van Peter Post. „’Nóóit op het buitenblad rijden’, zei hij. ’Altijd zo licht mogelijk trappen’.”

Barend laat zijn vingers dansen. „Alles op souplesse, altijd onder je vermogen blijven rijden, dan haal je de finish.” Eigenlijk had hij die dag in Frankrijk l’Alpe d’Huez vaker op kunnen rijden. Maar Post zei ’twee keer is genoeg’. En naar Post luisterde je.