Nieuws/Binnenland
125316
Binnenland

Roman ’Staatsgeheim’ van oud-commissaris Joop van Riessen over foute Fatima en terreur in Amsterdam

Politiethriller angstig dicht bij realiteit

— Oud-hoofdcommissaris Joop van Riessen mag dan al twaalf jaar met pensioen zijn, zijn politiehart klopt nog even fel. Zijn ei kan hij kwijt in de thrillerreeks rond inspecteur Anne Kramer. De jongste roman gaat over een terreuraanslag in Amsterdam. „Het gebeurt altijd onverwacht.”

Joop van Riessen, thrillerschrijver en voormalig hoofdcommissaris, was in Parijs tijdens de aanslag op het Bataclan-theater. Het leidde tot zijn boek ’Staatsgeheim’ dat vandaag officieel uitkomt.

Joop van Riessen, thrillerschrijver en voormalig hoofdcommissaris, was in Parijs tijdens de aanslag op het Bataclan-theater. Het leidde tot zijn boek ’Staatsgeheim’ dat vandaag officieel uitkomt.

Joop van Riessen, thrillerschrijver en voormalig hoofdcommissaris, was in Parijs tijdens de aanslag op het Bataclan-theater. Het leidde tot zijn boek ’Staatsgeheim’ dat vandaag officieel uitkomt.

Joop van Riessen, thrillerschrijver en voormalig hoofdcommissaris, was in Parijs tijdens de aanslag op het Bataclan-theater. Het leidde tot zijn boek ’Staatsgeheim’ dat vandaag officieel uitkomt.

Die vrijdag de dertiende, november 2015, was Joop van Riessen met zijn vrouw Ineke in Parijs. „Net terug op de hotelkamer, ons hotel, piepten onze telefoons achter mekaar. Verontruste sms’jes en appjes. Aanslagen in de stad, wij wisten nog van niks.”

En dan slaat een politiehart natuurlijk op hol. De voormalig hoofdcommissaris van Amsterdam knikt licht betrapt. „Ons hotel was vlakbij de Bataclan, en wat kun je doen… Binnen blijven. Natuurlijk zijn we de dag erna wel naar de herdenkingsplek op de Place de la Republique gegaan. Op zondagavond, wij waren op weg naar een restaurant, brak er ineens paniek uit. De massa holde alle kanten op. ’Weg, weg, weg’ hoorden we. In mijn stuntelige Frans vroeg ik een agent om inlichtingen. ’Rennen’, riep hij. Cafés deden het licht uit, sloten de deuren, lieten ons niet binnen. Uiteindelijk mochten we in een kroeg schuilen. Achteraf was er niets aan de hand, maar ik zag de impact van een aanslag.”

In het café in de Amsterdamse Jordaan draait hij zich zo dat hij niet met de rug naar de deur zit. Macht der gewoonte. Pientere oogjes achter de brillenglazen, vriendelijk, zeker geen bullebak van een Bromsnor. Maar dat er met Van Riessen niet te spotten valt, daarover kunnen heel wat oud-ondergeschikten meepraten.

Tijdgeest

Al twaalf jaar is de 73-jarige Van Riessen de dienst uit, maar hij voelt de tijdgeest haarfijn aan. Voor ’Parijs’ was hij al begonnen aan het negende deel in de politiethrillerreeks die hij sinds zijn pensionering schrijft. Staatsgeheim, heet het boek dat vandaag verschijnt. Over twee Marokkaanse moslima’s, IS en een aanslag in Amsterdam.

„Na Nice, Berlijn, Brussel, Londen en Stockholm is het geen kwestie van of, maar van wanneer we aan de beurt zijn. IS wordt aangevallen en doordat ze in de knel zitten, plegen ze meer aanslagen. En altijd onverwacht, niet tijdens de honderdste Vierdaagse, de kroning van Willem-Alexander of op komende Koningsdag.”

„Het idee voor Staatsgeheim kwam op toen ik las dat een sergeant-majoor van de marine in Den Helder was overgelopen naar Raqqa. Zo ontstond bij mij de jonge agente Fatima die niet op haar dienst verscheen en een mislukte undercoveroperatie met een veel te onervaren spion.”

Fictie, maar niet uit de lucht gegrepen. „Ga er maar van uit dat dit in werkelijkheid ook kan gebeuren. De druk op veiligheidsdiensten is groot, ze moeten aanslagen voorkomen. Als er iets gebeurt worden zij erop aangesproken. Zeker als er daders tussen zitten die al bekend waren bij de diensten. Onder die pressie worden er risico’s genomen en fouten gemaakt. En die gaan in dossiers die het stempel ’Staatsgeheim’ krijgen, al zullen ze dat nooit toegeven.”

Rancune

Ze zullen achter die bureaus niet in hun nopjes zijn met het oeuvre van Van Riessen. „Ik denk het ook niet. Op een dag stonden mijn vrouw en ik in de foyer van het De La Mar-theater een kopje koffie te drinken, foetert een oud-procureur-generaal van justitie, bekend gezicht: ’Ik ben zó boos op jou, op hoe jij justitie neerzet!’ Onze monden vielen open. Ik schrijf niet uit rancune naar politie, justitie of bestuur.”

„Ik zal vertellen waarom wel. Mijn eerste boek In Naam der Wet was autobiografisch. Kwam door journalisten die me uitdaagden: schrijf dat nou eens op. Toen die biografie af was, was ik er klaar mee. Belde de uitgeefster of ik fictie wilde schrijven, want Baantjer, al in de tachtig, kapte ermee. Ik stribbelde tegen: ’Dat kan ik helemaal niet.’ Maar zij is een strenge juf en zei: ’Beginnen, jij!’”

„Zat ik daar achter mijn computer, een wonderlijk proces. Baantjer wás De Cock. Mijn hoofdpersoon moest beslist geen Van Riessen worden, ik wilde mijn nek niet uitsteken want ik wist niet of ik wel kon schrijven. Toen dacht ik: ik neem een vrouw. Anne Kramer, chef Bureau Zware Criminaliteit, een functie die ik zelf had gehad.”

Van lieverlee sloop hij zelf het personage in. „Mijn drift en ongeduld zitten in die vrouw. En ze werkt net als ik op intuïtie. Als mijn gevoel zei dat iets niet goed zat, dan was dat ook zo, ook zonder spatje bewijs. Vast mijn vrouwelijke kant. Ik schrijf ook over Annes privéleven. Toevallig heb ik een dochter van die leeftijd, en die vertelt spontaan wel eens iets. Maar ze wordt voorzichtiger want ze weet dat pa het oppikt.”

Anne bepaalt zijn dag. „Schrijven doe je niet op een achternamiddag, het is een tweede leven ernaast. Als ik op straat loop, loop ik met haar. Ik slaap met Anne Kramer. Krijg ik een idee, ren ik mijn bed uit en noteer ik het.”

Opvolger

Zijn succes evenaart vooralsnog niet dat van Baantjer. „Maar ik ben zijn opvolger ook niet. Op zijn naam staan heel wat meer titels. Mij gaat het erom dat de lezer er plezier aan beleeft en even weg is van de wereld. Zit ik bij Ajax, komt er een man naar me toe met mijn boek en vraagt om een handtekening. Dat is leuk.”

Anne Kramer maakt carrière en gruwt daar net zo van als haar geestelijke vader dat deed. „Verschrikkelijk, al dat vergaderen. In 1981 was ik chef van het Bureau Zware Criminaliteit, na vijf jaar Bureau Warmoesstraat, en ik hád het naar mijn zin. Riep de hoofdcommissaris me bij zich en zei dat ik bevorderd werd en een nieuw district moest opbouwen in de Bijlmermeer. Gliphoeve daar was een chaos. Ik smeekte: ’Doe me een lol, ik wil niet naar het beton.’ Hij zei: ’Jij gaat, afgelopen uit.’ Weigeren was geen optie, dan kon ik het verder vergeten. Achteraf had ik in de Bijlmer een geweldige tijd, daar niet van. Maar ik zat er net een maand toen Heineken ontvoerd werd. Normaal gesproken was die zaak voor Joop van Riessen geweest. Kon ik het in de krant lezen. Oh”, roept hij gefrustreerd uit, „dat deed pijn. Nog! Maar ik heb een fantastische loopbaan gehad, en ik heb alles kunnen en durven roepen.”

Ja, neem de aanpak van het korps in de jaren zeventig, bureau Warmoesstraat. „Jelle Kuiper en ik begonnen tegelijkertijd. De Zeedijk werd geregeerd door verslaafden en de Chinese gokmaffia. Na een paar weken zeiden Jelle en ik tegen elkaar: ’Het ruikt hier verkeerd’. Naar corruptie. Wij startten een intern onderzoek. Kwam ik op mijn kamer in de Warmoesstraat, waren ’s nachts al mijn kasten en bureauladen opengebroken, op zoek naar dossiers. Griezelig gewoon. Uiteindelijk werden er tien politiemensen opgepakt. Topje van de ijsberg. Het ergste vond ik de krantenkoppen: Amsterdamse politie corrupt. Niet: Amsterdamse politie veegt schoon. Tot in de top was corruptie taboe en ze zeiden dat Kuiper en ik het korps zwart hadden gemaakt. Boos waren ze, van hoog tot laag.” Van Riessen hield niets onder de pet. „Jelle, een bijzondere maat, en ik hadden het geluk dat we met z’n tweeën waren. Had ik het alleen gedaan, hadden ze me kapotgemaakt.”

Lastposten

„Dramatische jaren waren het. Wij schudden aan de boom, maar werden weggezet als lastposten. Alle cafés op de Zeedijk waren toen Surinaams en Surinaamse drugsverslaafden beroofden op de Wallen elke dag tientallen burgers. Pleitten wij bij de gemeente voor sluiting van die kroegen, zeiden ze op het stadhuis: ’Dat zijn slachtoffers, wilt u daar normaal mee omgaan!’ Ze wilden er gewoon niet aan.” Recht zijn rug: „Vanaf toen was het voor mij: ’Bekijk het maar, je krijgt ’m. Rechttoe-rechtaan’.”

Zijn boek De IRT-infiltrant is gebaseerd op de IRT-affaire, de ophef over de opsporingsmethoden van het Interregionaal Recherche Team. Gecontroleerde drugshandel onder regie van politie en justitie, agenten streken miljoenen op. Van Riessen versjteerde dat spel en was met commissaris Eric Nordholt de gebeten hond.

„Alles wat ik had opgebouwd werd gesloopt door de commissie-Wierenga en de pers. Psychisch stond ik enorm onder druk, maar ik denderde maar door. Kwam ik op een avond thuis, zaten vrouw en kinderen op de bank voor actualiteitenrubriek Nova. Ze keken me aan en zeiden: ’Je bent fout, helemaal fout, de hele wereld zegt het. Je hebt het verkeerd gezien en je wordt ontslagen.’ Heftig was die tijd, maar als ik het van te voren geweten had, had ik het toch gedaan. Na vier jaar, toen ik werd gerehabiliteerd door de commissie-Van Traa gingen alle sluizen open. Ik jankte, ook op mijn werk. Verschrikkelijk.”

Vrienden

Hij koos niet voor het uniform om vrienden te maken. Collega’s deden dat wel. „Rechercheurs zitten vaak uren in verhoren en vergis je niet, criminelen zijn vaak aardige mensen. In die spanning kan er een band ontstaan, later kom je elkaar nog eens tegen… Politiemensen kwamen bij criminelen thuis, gingen met ze op vakantie. Aan een vriend kun je dingen vragen, hè... In de jaren negentig heb ik een missive uitgegeven: collega’s die vriendschap onderhouden met criminelen gaan het korps uit. Tientallen heb ik er moeten ontslaan.” Daar won hij niet de populariteitsprijs mee. „Ik organiseerde mijn eigen vijand. Die dertig ontslagenen hadden niet alleen extern, maar ook intern vrienden. Die vijfde colonne leefde zich op me uit.”

Van Riessen heeft zelf nooit een zwak gehad voor een crimineel. „Als leidinggevende had ik geen persoonlijk contact met ze. Willem Holleeder reed wel eens voorbij op zijn scooter. Zwaaide-ie, zwaaide ik terug, doei! Vriendelijk en vrolijk als hij altijd is, zei hij eens: ’Baas, ik ben niet kwaad op je, je hebt gewoon je werk gedaan.’ Dat criminelen op het schild worden gehesen hoort erbij, ik erger me daar niet meer aan.” Corrigeert zichzelf: „Soms wel. Voor een boek over Stanley Hillis, alias De Ouwe, benaderden ze mij. Nou nee bedankt, een biografie moet gaan over mensen die iets goeds betekend hebben. Maar neem Okkie, de Van Gogh-rover, ik begrijp wel dat mensen daar meer over willen weten. Spanning, smullen! Daarom lezen ze ook mijn boeken.”