1294748
Nieuws

Politiek danst om fictieve pot van €7 miljard

De meeste politieke partijen hebben afgelopen week hun verkiezingsprogramma’s naar het Centraal Planbureau (CPB) gestuurd. De onafhankelijke rekenmeesters gaan de komende maanden met hun computermodellen aan de slag om begin februari 2017 een zogenoemde doorrekening te kunnen presenteren.

Bij deze presentatie, die ruim een maand voor de verkiezingen op 15 maart 2017 verschijnt, worden voor elk programma de effecten in beeld gebracht van de voorstellen waarmee partijen kiezers willen werven. Het gaat daarbij onder meer om de gevolgen voor de werkgelegenheid, koopkracht, gezondheidszorg, pensioenen en de overheidsfinanciën, zoals het begrotingstekort en de staatsschuld. Zo kunnen kiezers een goed beeld krijgen van de effecten die partijen in de nieuwe regeringsperiode 2017-2021 met hun beleidsvoorstellen willen realiseren.

Weinig financiële ruimte

Nu al staat vast dat er in deze periode weinig financiële ruimte bestaat voor het terugdraaien van lastenverzwaringen en bezuinigingen die zijn doorgevoerd door het kabinet Rutte 2 en voor nieuwe leuke dingen voor kiezers. Dat komt door de optelsom van verschillende redenen.

In de eerste plaats door een verwachte matige economische groei tussen 1%-2% die (te) weinig extra geld voor de schatkist oplevert. Daarnaast heeft Nederland een hoge belastingdruk die omlaag moet en gelden er Europese wettelijke regels voor gezonde overheidsfinanciën waaraan voldaan moet worden. Politieke partijen die met belastingverhogingen het beleid van Rutte 2 willen corrigeren om zo ruimte te creëren voor extra uitgaven, bijvoorbeeld in de zorg, worden geconfronteerd met de negatieve effecten van deze lastenverzwaring: ze remmen de groei, kosten banen en leveren daardoor per saldo geen of maar weinig extra inkomsten op.

Zo is al berekend dat een verhoging van het huidige toptarief van 52% in onze loon- en inkomstenbelasting niet tot meer, maar juist tot minder belastingopbrengsten leidt en bovendien werkgelegenheid kost. Dat is de reden dat in Frankrijk vorig jaar de zogenoemde rijkentaks, het paradepaardje van de Franse socialisten, al snel na de invoering weer werd afgeschaft.

Verjubelen

Partijen die straks een kabinet gaan formeren, hebben dus weinig financiële speelruimte en de kans is daarom groot dat ze de positieve erfenis van Rutte 2 zullen verjubelen. Volgens de meest recente becijferingen zal bij een zogenoemd ‘ongewijzigd beleid’ de Rijksbegroting in 2018, geen tekort meer laten zien, maar een overschot van een half procent van het BBP. Met dank aan Rutte 2 levert dit een financiële uitgavenruimte op van ongeveer €7 miljard. Maar dit houdt wel in dat een nieuw kabinet start met een regeringsprogramma dat aan het einde van de regeringsperiode afsluit met een begrotingstekort van 0,5% van het BBP.

Partijen die straks aan de formatietafel plaatsnemen, zullen zich moeten afvragen of ze er verstandig aan doen om van deze ‘mogelijke’ ruimte gebruik te maken voor extra overheidsuitgaven en ook voor welke doeleinden. Het risico is namelijk levensgroot dat die ruimte er helemaal niet is. De prognoses voor de groei van de wereldeconomie, waar Nederland sterk van afhankelijk is, verslechteren. Bovendien kampt de EU, mede als gevolg van het Brexitreferendum in het VK, met toenemende zorgen over de politieke en economische toekomst.

Belastingoorlog

Deze ontwikkelingen kunnen leiden tot een lagere economische groei in ons land, waardoor het verwachte overschot als sneeuw voor de zon verdwijnt. Daar komt nog bij dat we ons moeten voorbereiden op een belastingoorlog die voor onze schatkist slecht kan uitpakken. Ondanks alle internationale overleggen en afspraken om schadelijke belastingconcurrentie tussen landen in te dammen en een 'race to the bottom' te voorkomen, staan we aan de vooravond van een nieuwe en heftige fiscale concurrentieslag.

Ongeacht de uitslag van de presidentsverkiezingen in de VS zal daar het tarief van de winstbelasting richting de 15% gaan. Ook in de EU maken landen zich op om deze belasting te verlagen. Het VK loopt zich in het kader van een zogenoemde 'harde' Brexit al warm voor een tarief van rond de 10%. De Britten gaan er vanuit dat ze met een dergelijk laag tarief de economische schade van de uitreding uit de EU kunnen beperken en zo zelfs extra bedrijven uit landen als Nederland, Duitsland, België en Frankrijk kunnen aantrekken.

Staatsgeheim

Daarnaast proberen ze de schade te beperken door buitenlandse ondernemingen in het VK naast belastingverlaging ook andere financiële voordelen te bieden. Zo werd afgelopen week bekend dat de Britse regering bereid is om de schade te compenseren die de Japanse autofabrikant Nissan zal leiden als de Britten de EU verlaten. Hoe deze compensatie er uit zal gaan zien, is staatsgeheim, maar het werkt blijkbaar wel. De Japanners maakten daarna bekend dat ze nieuwe modellen in het VK blijven produceren. In de EU is een dergelijke regeling met een onderneming niet mogelijk, het valt onder verboden staatssteun. Maar de Britten zullen deze compensatie pas ‘uitbetalen’ als ze uit de EU zijn getreden.

Niet alleen vanwege de onzekerheid over onze groei doet politiek Den Haag er verstandig aan om de ‘fictieve’ pot van €7 miljard achter de hand te houden, maar ook vanwege de extra uitgaven die Nederland zal moeten doen in kader van belastingconcurrentie: zo zal het huidige tarief van onze vennootschapsbelasting van 25% verlaagd moeten worden. Daarnaast zijn er extra uitgaven nodig om te kunnen voldoen aan het wereldwijde klimaatakkoord dat december 2015 in Parijs is gesloten (www.klimaatverdragparijs.nl).

Groei aanjagen

Zouden politieke partijen een deel van deze pot toch willen gebruiken, dan zou moeten vaststaan dat met dit bedrag onze economische groei daadwerkelijk extra wordt aangejaagd. Deze zekerheid bestaat bij het verlagen van werkgeverslasten en investeringen in een slimmer en groener Nederland.