Nieuws/Binnenland
1412952923
Binnenland

Nederland hoeft verstandelijk beperkte IS-er nog niet te halen

DEN HAAG - De Nederlandse staat hoeft een Nederlands-Marokkaanse vrouw met een verstandelijke beperking niet weg te halen uit het vluchtelingenkamp in Syrië. Echter, als de situatie in dat land voldoende verbeterd is, moet zij wel gerepatrieerd worden, oordeelt de rechter.

De vrouw kampt met psychische en lichamelijke problemen en is gewond. Ze spande een kort geding aan tegen de Staat om teruggehaald te worden. Hoewel de rechter de situatie van de vrouw „zeer zwaarwegend en uiterst schrijnend” noemde, wegen de belangen van de Staat momenteel zwaarder.

„Er bestaan nog altijd grote risico’s voor de veiligheid van (Nederlandse) ambtenaren, als zij zich naar Noord-Syrië zouden moeten begeven om eiseres uit dat gebied weg te krijgen. Verder zou de Staat daartoe overleg moeten plegen met niet erkende groeperingen en entiteiten in Noord-Syrië. Dat kan niet van de Staat worden gevergd omdat daarmee schade kan ontstaan aan de internationale betrekkingen”, motiveert de rechter. „Als de situatie in Syrië voldoende verbeterd is dan moet de Staat eiseres wel repatriëren”, zo overweegt de rechter wel.

’Erger te lijden’

De vrouw heeft volgens de rechter mogelijk mede door haar gebrekkige geestelijke conditie de keuze tot uitreizen gemaakt. „Daarnaast wordt aangenomen dat zij vanwege haar slechte psychische en lichamelijke situatie waarschijnlijk nog erger te lijden heeft onder de erbarmelijke omstandigheden in het kamp dan vele anderen”, aldus de rechter.

Een groep IS-vrouwen en hun kinderen hadden eerder een zaak tegen de Nederlandse overheid aangespannen om hen terug te halen uit Syrië. Zij zitten daar vast onder erbarmelijke en gevaarlijke omstandigheden. De rechtbank gaf de vrouwen in eerste instantie gelijk. De Staat ging daarop in hoger beroep en kreeg van het hof gelijk. Ook de Hoge Raad volgde uiteindelijk afgelopen juni in het nadeel van de vrouwen en kinderen.

Mensenrechtenhof

„De vrouwen en de kinderen bevinden zich buiten Nederlands grondgebied. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden die maken dat uit de mensenrechtenverdragen verantwoordelijkheid van Nederland voor de vrouwen en de kinderen voortvloeit”, aldus de Hoge Raad. De advocaten van de vrouwen en kinderen lieten weten zich te beraden op een stap naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waar al een vergelijkbare Franse zaak aanhangig is.