Nieuws/Binnenland
1578505607
Binnenland

Excuus kabinet aan onterecht veroordeelden Puttense moordzaak

Den Haag - Het demissionaire kabinet heeft publieke excuses gemaakt om fouten die zijn gemaakt in de Puttense moordzaak. Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) deed dat aan de Puttense mannen Wilco Viets en Herman du Bois, die jarenlang onterecht hebben vastgezeten voor het vermoorden en verkrachten van Christel Ambrosius.

In 2002 werden ze alsnog vrijgesproken. „Het is tijd dat wij dat recht doen aan deze twee mannen”, zei Grapperhaus onder toeziend oog van du Bois, die op de publieke tribune zat in de Tweede Kamer. „Later werd de dader opgepakt, als dat komt vast te staan is het een verantwoordelijkheid van de overheid om wat te doen met alle schadelijke gevolgen.”

Demissionair minister Ferd Grapperhaus was zichtbaar geëmotioneerd toen hij zijn excuses aanbood. Tekst loopt door onder de video.

Dat gebeurde volgens Grapperhaus tot op heden onvoldoende. Er werd wel al een schadevergoeding betaald. „Maar er was nooit een morele genoegdoening, publieke excuses zijn nooit gedaan en dat heeft hen pijn gedaan”, zei de bewindsman die geregeld stiltes liet vallen in zijn betoog.

„Ik ben er even stil over, ik wil er ook echt bij stilstaan”, vertelde de minister. „Ik las voordat ik minister was een akelig stuk, jaren geleden, over hoe ze nog steeds door sommige mensen met de nek worden aangekeken”, zei hij over de gevolgen van de misser.

„We hebben die mannen en hun gezinnen in de kou laten staan, en we hadden excuses moeten maken. Dat doen we namens het hele kabinet nu aan Herman en Wilco.” Het spijt me, zei Grapperhaus. „Dat is ook een rechtsstaat, dat je soms diep buigt.” Ook Royce de Vries zat in de zaal, de zoon van de vermoorde misdaadverslaggever Peter R. de Vries, die jarenlang in de zaak dook om de waarheid boven tafel te krijgen.

Royce de Vries reageerde op Twitter. De zoon van Peter R. de Vries spreekt van eerherstel ’na een strijd van 25 jaar’. „Het was fijn hierbij aanwezig te zijn, alhoewel eigenlijk iemand anders erbij had moeten zijn…”