Nieuws/Columns

Bevolkingsexplosie Syrië bron onrust

Twee maanden geleden omschreef prof. Gunnar Heinsohn op de uitstekende Duitse website Achgut opnieuw de kern van de problematiek van ’De Boze Arabische Man’. In 1960 had Syrië 4,5 miljoen inwoners en in 2011 22,5 miljoen. Als Duitsland dezelfde ontwikkeling had doorgemaakt als Syrië, waren er nu 290 miljoen Duitsers geweest – zelfs in de Duitse economie, die misschien wel de meest indrukwekkende in de hele wereld is, hadden al die mensen geen zinvol bestaan kunnen vinden.

In 1960 kon Syrië geen respectvol bestaan bieden aan 4,5 miljoen mensen, laat staan aan 22,5 miljoen in 2011. De ontwikkelingen van de afgelopen vijftig jaar leidden naar de catastrofe die we nu meemaken: een gigantische sociaaleconomische implosie wordt door externe krachten gebruikt voor het bereiken van geopolitieke doeleinden.

Heinsohn gebruikt de ’oorlogsindex’ om een demografische situatie te definiëren in relatie tot de kans op massaal geweld. Wanneer in een samenleving honderd oudere mannen terugtreden uit het arbeidsproces, en honderd jongemannen klaarstaan hun arbeid voort te zetten, is de oorlogsindex 1: de samenleving is in balans. Wanneer die onder 1 terechtkomt, is het gevaar van massaal geweld nog geringer, want er is werk in overvloed.

In Duitsland is de index 0,66. In Syrië bedroeg de index vóór de burgeroorlog 3,8, ofwel: bijna vier jongemannen strijden om de arbeidspositie van één terugtredende oudere man. De Syrische oorlogsindex is door de burgeroorlog en migratie gedaald naar 3,5, maar dat is nog steeds gevaarlijk hoog. Het is de catastrofale bevolkingsexplosie geweest – in combinatie met wanbestuur en tribale en religieuze passies die geweld legitimeren – die de oorsprong vormt van de armoede en onrust in Arabische landen zonder grote olie-inkomsten.

Twee weken later publiceerde Heinsohn het artikel ’Kleine atlas van de bewegingen van volken tot 2050’. Daarin gaat Heinsohn in op de tweedeling in de wereld tussen ontwikkelde en onderontwikkelde cultuurregio’s in relatie tot kennis en de verwachte toename van de bevolking. Hij schrijft over de competitie tussen 1,7 miljard Oost-Aziaten en 1,1 miljard ’Europaïden’ (van wie bijna de helft buiten Europa leeft). Beide groepen scoren hoog bij wiskundetoernooien van scholieren en studenten: de Oost-Aziaten scoren gemiddeld 560, de Europaïden 520. De beste Arabische scholieren scoren 380. Het kan nog slechter: de beste Afrikaanse deelnemers, uit Ghana, scoren slechts 331. Het contrast tot de beste Oost-Aziaten, Zuid-Koreanen, is gigantisch: Zuid-Koreanen scoren 613.

Maar er zijn 4,5 miljard mensen die niet Oost-Aziatisch of Europaïed zijn, aldus Heinsohn, en die komen in het algemeen niet dichterbij, maar ’glijden verder af’. Naar verwachting groeit die groep tot 2050 uit tot 6,5 miljard mensen. In 1950 kende sub-Sahara-Afrika 190 miljoen mensen; nu zijn het er 1 miljard, in 2050 2,2 miljard. Van hen wil 38 tot 40 procent het continent verlaten en naar Europa trekken. Dat zijn 850 miljoen Afrikanen in 2050 – die, begrijpelijk, aan armoede willen ontkomen.

In de Arabische wereld is de emigratiewens ook acuut: nu willen al 120 miljoen Arabieren naar Europa migreren, in 2050 naar verwachting 200 miljoen Arabieren. Deze fenomenen, en de daarbij behorende geweldsconflicten, komen dus voort uit de explosieve groei van de bevolking onder sociaal-culturele omstandigheden die de kans op hongerdood gereduceerd hebben zonder uitzicht op een respectvol bestaan.

Wat heeft klimaatverandering met deze grote demografische en sociaal-culturele veranderingen van doen? Dat is moeilijk te beschrijven. Echter, Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp kent geen twijfel over de oorsprong van huidig en toekomstig geweld: volgens hem is de burgeroorlog in Syrië het gevolg van de grote droogte in de periode 2006-2010.

Het is duidelijk dat de commandant het werk van Francesca de Châtel niet kent. Zij is, ondanks haar mediterrane naam, een internationaal befaamde Nederlandse onderzoekster die jarenlang in Syrië onderzoek heeft verricht naar de effecten van de grote droogte van 2006-2010 in relatie tot bevolkingsgroei, corruptie, mismanagement, gebrek aan opleiding, waterbeheer, zo ongeveer alles wat Middendorp had moeten bestuderen.

In een opmerkelijk artikel in Middle Eastern Studies in januari 2014 schrijft De Châtel: ’[De droogte] was niet een plotselinge, catastrofale gebeurtenis; zij verergerde een al bestaande desastreuze situatie. Zij vormde niet de oorsprong van een humanitaire crisis; zij bracht de groeiende armoede naar voren en accentueerde trends die al decennialang vorm kregen.’

Hijgend stortten de media zich afgelopen maandag op de opmerking van de commandant, want het gaat om klimaatverandering, en dat is een cool issue. Twee jaar geleden al schreef De Châtel: ’De mogelijke rol van klimaatverandering (…) is niet alleen irrelevant; zij biedt ook een onprettige afleiding. (…) Zij versterkt het verhaal van het Assad-regime, dat elke kans aangrijpt om externe factoren de schuld te geven van het eigen falen en het onvermogen te hervormen’.

Middendorp sprak op een VN-conferentie in Den Haag over klimaatverandering en geweld. Deskundige De Châtel was niet als spreekster uitgenodigd. Haar kennis en nuanceringen werden daar niet op prijs gesteld. Dus kakelde onze commandant als een kip en gaf hij een vervormd beeld van de oorsprong van de tot vrieskou verworden Arabische Lente.