Nieuws/Binnenland
1719308079
Binnenland

Gruwelijke familiegeschiedenis ontrafeld

’De oorlog zat nog in mij’

Hein Piller de Bruijn: „Als ík al niet in staat ben om mijn Joodszijn te vinden, dan heeft Hitler dus gewoon gewonnen. Daar schrok ik van. Die oorlog bleek gewoon nog in mij te zitten.”

Hein Piller de Bruijn: „Als ík al niet in staat ben om mijn Joodszijn te vinden, dan heeft Hitler dus gewoon gewonnen. Daar schrok ik van. Die oorlog bleek gewoon nog in mij te zitten.”

Amsterdam - Lang wist hij niet wat het betekent om Joods te zijn. Tot de Amsterdamse documentairemaker Hein Piller de Bruijn (40), zoon van een moeder die de Holocaust overleefde, aankwam in Sobibor, waar bijna zijn hele familie werd uitgemoord. „Toen voelde ik hoeveel pijn en gemis er in mij zit.” De documentaire ’Bestemming Sobibór’ is vrijdagavond te zien bij NPO2.

Hein Piller de Bruijn: „Als ík al niet in staat ben om mijn Joodszijn te vinden, dan heeft Hitler dus gewoon gewonnen. Daar schrok ik van. Die oorlog bleek gewoon nog in mij te zitten.”

Hein Piller de Bruijn: „Als ík al niet in staat ben om mijn Joodszijn te vinden, dan heeft Hitler dus gewoon gewonnen. Daar schrok ik van. Die oorlog bleek gewoon nog in mij te zitten.”

Het is een reis die zijn leven veranderde, zegt Hein Piller de Bruijn (40). „En waarin ik heb gevonden, wat ik onbewust zocht: mijn Joodse identiteit.” In de documentaire Bestemming Sobibor, die wordt uitgezonden rond de herdenking van de opstand in Sobibor (14 oktober 1943), maakt de Amsterdammer dezelfde treinreis als tientallen van zijn familieleden, die in de Tweede Wereldoorlog werden vermoord. Vanaf Amsterdam Muiderpoort, via Westerbork naar het nazi-vernietigingskamp Sobibor in Polen.

Heins moeder Rebecca, destijds nog een baby, overleefde de oorlog in de onderduik onder de naam Sonja van Buuren. Haar ouders en twee zusjes werden omgebracht.

„Ik heb mijn opa, oma, tantes en vele anderen gevoeld en ervaren op het perron daar in de bossen van Polen. In die serene omgeving heb ik contact gemaakt met mijn familie. Ik zag iedereen afgevoerd worden. Maar ik heb ze mee teruggenomen naar hier en probeer die geschiedenis nu te integreren in mijn leven. Ik voel de opdracht om ze voort te laten leven, maar daarvoor moet ik eerst mét ze leven. De eerste grote stap is gezet.”

Waarom wilde u die familiegeschiedenis en alle vreselijke herinneringen oprakelen?

Mijn moeder werd 75 in 2018. Voor haar verjaardag vroeg zij een donatie aan het Holocaust Namenmonument. Ik ben toen op de naam Piller gaan zoeken en vond zoveel familieleden – Amsterdamse Joden – die bleken te zijn omgebracht. Dat emotioneerde mij enorm. Ik dacht: hier wil ik een film over maken. Maar over hen is heel weinig terug te vinden. Toen hebben regisseur Raymond Grimbergen en ik besloten om de film te gaan enten op mijn eigen beleving en de reis te maken die zij ook hebben afgelegd.

U was zich tot dan nauwelijks bewust van uw Joodse identiteit?

Mijn vader is niet-Joods en met mijn moeder spraken we nauwelijks over dat deel van het verleden, zoals zo vaak onder oorlogsslachtoffers. Het onderwerp was niet taboe, maar ernaar vragen werd niet gestimuleerd. Het bleef allemaal heel reactief. We deden ook niets aan het geloof. Ik kon naar mijn gevoel daardoor helemaal geen claim leggen op het Joods zijn.

Als achternaam droeg u de naam van uw vader, De Bruijn. De Joodse naam Piller leek te zijn verdwenen met het dodentransport.

Veertig familieleden van mijn moeder werden vermoord, maar zij overleefde op miraculeuze wijze. Ze was pas een maand oud toen ze, tijdens de razzia’s van mei 1943 in Amsterdam, in veiligheid werd gebracht bij de buren. We hebben geen idee hoe dat precies in z’n werk is gegaan. Mijn moeder is daarna naar een onderduikadres in Maasland, in Zuid-Holland, gebracht, naar een gereformeerd echtpaar. Daar is zij opgegroeid. Hen beschouw ik ook als mijn opa en oma.

Het echtpaar bij wie zij werd ondergebracht had er ineens een dochtertje bij.

Hoe de buren en anderen daarop hebben gereageerd, weten we niet. Wel dat er zelfs voor de baby in huis een onderduikplek was, waar ze kon worden verborgen. Mijn moeder bleef altijd in Maasland en werd heel honkvast. En ik wist niet beter dan dat het was zoals het was. Er was nooit een moment, een gesprek, waarin we echt over dat oorlogsverleden spraken. Mijn moeder leeft niet, maar overleeft. Ze is angstig alleen en tot de dag van vandaag moet er ’s nachts altijd iemand bij haar thuis zijn. En ze kreeg rond haar 30e straatvrees. Dat is wel een duidelijk oorlogstrauma. Alleen heeft ze dat leefbaar weten te maken.

"Mijn moeder leeft niet, ze overleeft"

Toen u met uw cameraman / regisseur op de trein stapte naar Sobibor kwam uw moeder u niet uitzwaaien.

Nee, dat kon ze niet aan. Hoewel ze later zei dat ik het haar gewoon had moeten vragen.

U keerde in zekere zin ook terug naar de wortels van de familie Piller. Zij komen oorspronkelijk uit Polen.

Maar ze hebben eeuwen in Amsterdam gewoond, in de wijk achter Carré. Echte Amsterdamse Joden. Vreemd genoeg heb ik ook altijd in Amsterdam willen wonen. Als kind al, alsof ik aanvoelde dat hier mijn thuis is. Ik wilde ook per se dat mijn kinderen ’Amsterdam’ in hun paspoort zouden hebben staan.

De reis naar Sobibor lijkt een rite de passage - een overgangsritueel. We zien u, met keppeltje, peinzend in dat ’schuldige’ Poolse landschap.

Er was in Polen nauwelijks iets over van het Joodse leven. Ik dacht: waarom is er niets? Dat begon me te irriteren. Ik voelde het gemis en de pijn. Mijn jongere broer Maurits schreef een boek over het Joodszijn - Ook mijn holocaust - en dook eveneens in die familiegeschiedenis.

Maar het verder teruggaan naar wat er nou precies gebeurd is, hoe zij zijn weggevoerd enzo, dat heb ik op mij genomen. Onze vader is ook altijd heel ondersteunend geweest en heeft zich ook wel beziggehouden met de vraag of wij Joods moesten worden opgevoed. Maar dat kwam er dus niet van.

Met ouders en broers maakte u in 2003 een reis langs vier voormalige concentratiekampen. Jullie bezochten toen bij Sobibor een orthodoxe synagoge.

Ik liep achter mijn ouders. Mijn moeder had haar haren bedekt, zoals voorgeschreven. En ineens realiseerde ik mij: zo had het kunnen zijn, móeten zijn. En toen begon ik enorm te huilen. Voor het eerst had ik echt het gevoel Joods te zijn. En ik werd ook woedend. Ik dacht: als ík al niet in staat ben om mijn Joodszijn te vinden, dan heeft Hitler dus gewoon gewonnen. Daar schrok ik van. Die oorlog bleek gewoon nog in mij te zitten.

U besloot de naam Piller terug te vorderen.

Ik wilde die naam voort laten leven. Maar dat had nog wat voeten in de aarde. Zo moest ik aantonen dat mijn Joodse grootouders waren ’overleden’. Dat zeiden ze: niet vermoord, maar ’overleden’. Uiteindelijk lukte het. Ik ben de enige in ons gezin die hiervoor heeft gekozen.

Uw leven lang kon u zich niet werkelijk spiegelen in uw omgeving.

Niemand deelde immers mijn ervaring. Slechts met één vriend, die precies hetzelfde heeft meegemaakt, kan ik er echt over praten. Die begrijpt mijn verhaal.

Hoe is dit nu, na de reis en nu uw documentaire klaar is en wordt vertoond?

Ik zie dit als een nieuw begin. Ik twijfel niet er niet langer aan dat ik Joods ben. En ik ben niet meer alleen met die oorlog bezig, maar ook met de leuke aspecten van het Joods zijn: de cultuur, het land Israël, de feesten. We proberen dat ook door te geven aan onze kinderen. Zij hebben Joodse namen en ik probeer op de vrijdagen er rekening mee te houden dat het sjabbat is. En ik richt me op wat er in Nederland over is van het Joodse leven: de organisaties en de bijeenkomsten. Die mensen leer ik nu kennen.

Hoe reageerde uw moeder op de documentaire?

Ze vond de film mooi, maar omdat ik zo provocerend ben, vindt ze het soms ook wel lastig dat ik er zo induik. En nee, ze is niet uit zichzelf ineens meer gaan vertellen.

U bezit een foto van uw grootouders, gemaakt kort voordat zij werden weggevoerd.

Toen ik die foto aan de muur hing, heeft ons zoontje er op zeker moment de namen van ons gezin naast geschreven. Het was alsof hij de cirkel rond maakte.